by Ramon De Jonghe •  • 76 Comments

AtlantisEr wordt in steinerscholen veel aan cultuuronderricht gedaan. Dat is aanbevelenswaard. Al heel jong andere culturen leren kennen, al zijn het in steinerscholen vooral de heel oude, is in deze tijd van globalisering een rijkdom die mag worden gekoesterd.

Steinerscholen mogen daar best voor worden geprezen. Op welke andere school krijgen kinderen al vanaf de lagere school zo’n rijk scala aan cultuurverhalen voorgeschoteld? Waar steinerscholen wel de mist ingaan met hun cultuuronderwijs is wanneer ze dat als geschiedenisonderwijs gaan brengen. Ze maken namelijk nergens effectief de cesuur tussen cultuur –en geschiedenisonderwijs, maar laten dat zo’n beetje in mekaar overlopen zonder precies aan te geven waar nu cultuuronderwijs stopt en waar geschiedenisonderwijs begint. Dat kabbelt maar wat, net zoals in dat onderwijs wel meer kabbelt. Laat ons eens kijken wat het vak geschiedenis op de steinerschool inhoudt.

Er was eens…

…een eerste les geschiedenis die ik aan de lerarenopleiding voor steinerschoolleerkrachten volgde, waarin alle studenten van de docent  een door hem geschreven tekst over Atlantis in handen kregen. Stond niet op het programma, maar de docent vond het nodig dat wij er nota van zouden nemen. Bijzonder was dat wij als aankomende leraren het geschiedenisonderricht werden ingeleid door middel van een visietekst over het verzonken continent Atlantis waarbij mij de lust om die te lezen vrij vlug werd benomen door het bekijken van de door deze docent gebruikte bronnen. Enkele daarvan waren hoogst bedenkelijk en de kers op de verzuurde taart was dat om het bestaan van archeologische restanten van een beschaving op de bodem van de Atlantische Oceaan aan te tonen een boek over Atlantis van Charles Berlitz, een wereldberoemd sensatieschrijver die bekend staat voor het creëren van mythen, werd aangehaald als wetenschappelijke bron. Berlitz komt trouwens meermaals als bron voor in de tekst van mijn voormalige geschiedenisdocent. Ook de schrijver en pseudowetenschapper Zecharia Sitchin, die er een niet onderbouwde theorie over Atlantis op nahoudt, wordt als bron aangehaald. Men kan de suggestie van deze, overigens sympathieke, geschiedenisdocent aan zijn studenten om zich te verdiepen in pseudowetenschap bezwaarlijk wegwuiven als voortkomende uit een persoonlijke voorliefde voor de Atlantismythe.

Beangstigend dat mensen die kinderen geschiedenis gaan bijbrengen, worden ingeleid in een gedachtegoed dat voor een groot deel is ontsprongen aan de niet geverifieerde en zelfs verzonnen verhalen van sensatieschrijvers. Zelfs als die hersenspinsels in de lijn liggen van Rudolf Steiners ideeën getuigt dit niet van een erg wetenschappelijke houding. Gevolg is dat aspirant steinerschoolleerkrachten die geen bronnen controleren, deze stellingen over Atlantis wel als wetenschappelijk getoetst gaan beschouwen en ze ook als zodanig zullen overbrengen op hun toekomstige leerlingen. Overtuigd dat het de waarheid is, want de ‘wetenschap’ heeft het bevestigd! En wanneer de huidige stand van de wetenschap middels de archeologie de overtuiging dat op de bodem van de Atlantische Oceaan resten van een beschaving zijn te vinden met de grond gelijk heeft gelijkgemaakt, blijft altijd wel een of andere speculatieve opinie voorhanden.

Volgens leerplan

Wie het geschiedenisonderricht op de steinerschool kent, weet dat in de vijfde klas Atlantis op de een of andere manier aan bod komt, al is het maar in de vorm van de mythe van de grote Manu, de vedische antagonist van de bijbelse Noach. Dat dit niet het gevolg is van overijverige en pseudowetenschappelijk georiënteerde leraren, maar dat dit te wijten is aan de achterliggende ideologie waarop steinerscholen zich baseren, wordt al duidelijk wanneer we het leerplan van de steinerscholen doorlopen. Ter illustratie hier een extract uit de leerplannen Wereldoriëntatie van de steinerscholen.

Het sprookje reikt de oudere kleuter en het net schoolrijpe kind een oriëntatie in de wereld aan waarin alles met alles verbonden is. In fabels en legenden worden de relaties tussen mens, dier en plant en mensen onderling op karakterieel vlak gedifferentieerd. Daarna maakt het kind door middel van verhalen uit onder meer het Oude Testament, Germaanse of Noorse mythologieën kennis met opvattingen die een doelgerichte mensheidsontwikkeling in de tijd beschrijven. In de volgende schooljaren bereikt men via oosterse, Griekse en Romeinse mythologische en historische verhalen een eerste vorm van geschiedenis. Zo komt men aan het einde van de zesde klas tot het vak geschiedenis waarin een zo nauwkeurig mogelijke beeldrijke beschrijving van de feiten wordt nagestreefd en waarin oorzaak en gevolg in gebeurtenissen kunnen waargenomen worden. Men bestudeert achtereenvolgens de middeleeuwen, de nieuwe tijd en onze tijd (gespreid over de zesde klas, het eerste en tweede jaar middelbaar onderwijs)

We kunnen het hier goed lezen: pas aan het einde van de zesde klas komt geschiedenis, en dan nog maar een eerste vorm aan bod. Als we dan verder lezen, komen we toch wel iets merkwaardigs tegen. In de leerinhouden (zelfde leerplan) staat dat het eerste geschiedenisonderwijs wordt gericht op de oude oosterse culturen, waaronder bijvoorbeeld India en Mesopotamië. Daarna komen de Griekse en de Egyptische. Dit is echter vijfde klas. Terwijl geschiedenis pas einde zesde klas aan bod zou komen. Vraag is dan wat onder ‘het eerste geschiedenisonderwijs’ in die vijfde klas wordt verstaan. Daarvoor kijken we naar de leerinhouden geschiedenis volgens wat voor die vijfde klas is vastgelegd in het leerplan.

De blik wordt in het eerste geschiedenisonderwijs gericht op niet-Europese culturen. De oude oosterse culturen van India, Perzië en Mesopotamië staan daarbij in het middelpunt. Zij worden gevolgd door de Egyptische en de Griekse cultuur. Deze culturen hebben geografisch gezien een groot bereik gehad en hebben grote delen van de mensheid beïnvloed. Door gebruik te maken van de literaire tradities en andere artistieke uitingen van deze culturen, worden de kinderen in aanraking gebracht met verschillende levensmotieven en levensvoorwaarden.

Oosterse culturen: de mens leert op aarde leven en maakt de aarde vruchtbaar
– De oud-Indische cultuur: mogelijke onderwerpen:
-De samenhang van de Indische cultuur met het Indische continent (geografie in een  historisch perspectief) en de godsdienst.
-De sage van Manu en de zeven Rishis (eventueel Plato: Atlantis)
-De Vedda’s,de heldensagen uit de Mahabharata, o.a. de Bhagavadgita
-Ramayana
-Het kastestelsel in cultuur-historisch perspectief
-Bhagavadgita: Het gesprek tussen Krishna en Ardshuna
-Boeddha
-De resten van de oud-Indische cultuur in het hedendaagse India

Ook in de specifieke leerinhouden voor de vijfde klas zien we mythen en legenden die worden voorgesteld als ‘het eerste geschiedenisonderwijs’, terwijl zoals al gezegd in het leerplan wordt gezegd dat een eerste vorm van geschiedenis pas aan het einde van de zesde klas aan bod komt. Blijkbaar hebben zelfs de opstellers van de eindtermen en leerplannen geschiedenis en mythologie niet meer uiteen kunnen houden. Maar duidelijk is dat zich in het leerplan tussen het begin van de vijfde en het einde van de zesde klas, wat het geschiedenisonderwijs betreft, een schemerzone bevindt waarin de grens tussen mythe en geschiedenis niet of onvoldoende is aangegeven. En wat komen we in die schemerzone tegen? Inderdaad: Atlantis!
Het is op dit punt niet onbelangrijk om te weten dat vanuit de op steinerscholen gehanteerde ontwikkelingspsychologie gezien, een leerling van de vierde klas door een crisispunt (godenschemering) gaat, waarna hij zich tegenover de wereld ziet geplaatst. Het kind in de vierde klas verlaat abrupt de dromerige wereld van sprookjes en mythen om de ‘grote wereld’ tegemoet te treden. Vanaf de vijfde klas is het kind dan ook pas echt in de wereld aangekomen, wakker om te leren. Op steinerscholen gaat men ervan uit dat het kind nu met abstracte begrippen kennis mag maken. En wat komt dan zo’n kind vanuit die ‘grote wereld’ tegemoet in het geschiedenisonderwijs? Hetzelfde als de jaren daarvoor; mythen, waaronder die van Atlantis als belangrijkste. Alleen noemt men het vanaf klas vijf geschiedenis. Waarom? Heel eenvoudig: omdat Rudolf Steiner het zo heeft weergegeven alsof de ondergang van dat mythologische eiland een geschiedkundig feit is. En niet zomaar een feit, maar een waarop Steiners theorie over de evolutie van de huidige mensheid is gebouwd. Volgens Steiner en zijn volgelingen, waaronder steinerschoolleerkrachten, zijn wij nazaten van de bewoners van Atlantis. Wat moet men zich dan voorstellen wanneer steinerscholen in hun eindtermen, leerplannen en dergelijke het volgende komen stellen?

De kinderen hebben oog voor het element evolutie doordat zij inzien dat de mensen in het verleden en op andere plaatsen op een andere wijze leefden, voelden en dachten dan de mensen hier en nu (eindterm WO 55)

Die mensen in het verleden zijn volgens Steiner onder anderen de Atlantiërs. We gaan zo dadelijk kijken hoe in een antroposofische context en volgens de maatstaf van Rudolf Steiner, het Orakel van Dornach, de evolutie van de mensheid wordt beschreven. Want Steiner hield er niet alleen op zowat elk maatschappelijk gebied tamelijk controversiële ideeën op na, hij herschreef ook nog eens de geschiedenis van de mensheid en trok het lijntje maar ineens door tot enkele duizenden jaren in de toekomst. Miljoenen jaren terug? Geen probleem, Steiner wist het allemaal. Hij las namelijk in een onzichtbaar boek, bij antroposofen en aanverwante occultisten beter bekend als de Akashakroniek. In deze kroniek zouden alle feiten zijn geregistreerd die zich sinds het ontstaan van het heelal hebben voorgedaan. Het zou te ver leiden om hier enkele miljoenen jaren ‘geschiedenis volgens Steiner’ te bespreken, maar het lijkt me onontbeerlijk hier een samenvatting te geven van ‘steinergeschiedenis’.

Volgens Steiner…

… hebben de aarde zoals wij die kennen en haar bewoners verschillende stadia doorlopen die hij benoemt als planeten, maar die echter nog weinig te maken hebben met de planeten die wij vandaag de dag zo noemen. Steiner heeft het dan ook liever over stadia, waarbij hij er zeven onderscheidt: Saturnus, Zon en Maan zijn ons stadium, dat Aarde heet, voorafgegaan. In de toekomst zullen nog drie stadia volgen: Jupiter, Venus en Vulcanus. Om het onderscheid te maken met de huidige planeten spreekt Steiner over ‘de oude Saturnus, de oude Maan, etc…’ Doordat hoge geestelijke wezens op de planeetsferen inwerken, ontstaan krachtenwerkingen die voor evolutie zorgen. Dit gaat echter in periodes van rust en activiteit, waarbij de rustperiodes, gelegen tussen twee planetaire stadia, worden gezien als het zich terugtrekken van de hogere geesten om zich in de geestelijke wereld voor te bereiden op een volgende evolutieactiviteit. We zien hier de gelijkenis met een van Steiners stokpaardjes, de incarnatiegedachte, die erop neerkomt dat na het sterven (uittreden) de mens zich terugtrekt in hogere regionen om zich voor te bereiden op een nieuw leven (reïncarnatie). Steiner spreekt dan ook over de planeten als levende wezens of organismes. Die wezens leven in symbiose met hun bewoners, wat betekent dat planeet en bewoners een gelijklopende ontwikkeling doormaken. Zo is volgens Steiner op de oude Saturnus, een chaotische warmtemassa, de kiem van het fysieke lichaam gelegd. Deze eerste aanleg voor het fysieke lichaam is echter in niets te vergelijken met wat wij daar nu onder verstaan. In het stadium van de oude Zon begint deze warmtemassa, dit ‘warmtelichaam’ zich nog meer te verdichten totdat het een lucht- of gasvorm heeft. Steiner noemt dit de vorming van het etherisch lichaam, wat de ‘zonnewezens’ een bewustzijn gelijkend op dat van planten schenkt. Na het zonnestadium volgt het maanstadium. Op de oude Maan worden de op de oude Saturnus en oude Zon gevormde warmte- en gasvorm verrijkt met een waterachtig lichaam, door Steiner het astraallichaam genoemd. De ‘maanwezens’ komen in deze fase tot een droombewustzijn. In onze huidige planeetsfeer, die van de aarde, verdicht het lichaam zich tot zijn huidige staat en krijgt de mens bovenop de eerder verworven bewustzijnstoestanden ook nog waakbewustzijn. Of om het in het antroposofisch jargon te zeggen; het ‘Ik’, de individuele geest incarneert, wat voor de mens de mogelijkheid schept tot zelfstandig denken. We kunnen volgens Steiner pas dan van een mens spreken als het ‘Ik’ is ingedaald. In het voorgaande is Steiners vierledig mensbeeld, dat wordt gebruikt in de steinerpedagogie, te onderscheiden. In de in steinerscholen gehanteerde ontwikkelingspsychologie verbindt men aan het vierledig mensbeeld men de zeven-jaar-cycli, die op hun beurt weer overeenkomen met de geschetste planetaire evolutie.

Saturnus, fysiek lichaam, 0-7 jaar, opvoeding tot willen, kleuters
Zon, etherisch lichaam, 7-14 jaar, opvoeding tot voelen, lagere school Maan, astraallichaam, 14-21 jaar, opvoeden tot denken, middelbaar
Aarde, Ik-lichaam, 21-28 jaar, ontwikkeling zelfstandig denken

Strikt genomen zijn volgens Steiners theorie leerlingen op steinerscholen geen mensen, maar zijn ze ‘wordende mensen’. Vandaar de slogan waarmee steinerscholen uitpakken: ‘Worden wie je bent’. Mensen zijn volgens Steiners ontwikkelingspsychologie pas aan zelfstandig denken toe als ze 21 jaar zijn. In de fasen na de Aarde-ontwikkeling, Jupiter, Venus en Vulcanus, worden de vier bekomen lichamen volgens Steiner nog meer vergeestelijkt. We hebben het dan over een verre toekomst en omdat we hier geschiedenis behandelen, gaan we daar niet verder op in. Wat belangrijk is voor het vak geschiedenis is de ontwikkeling op aarde, omdat bij Steiner pas daar sprake is van de mens zoals wij die kennen. Steiner geeft ook duidelijk aan wanneer de eerste mens of mensheid verschijnt.

Nun muß man sich vergegenwärtigen, daß man es am Ende der atlantischen Zeit mit drei Gruppen menschenartiger Wesenheiten zu tun hat. 1. Mit den genannten «Götterboten», die der großen Volksmasse weit voraus in der Entwickelung waren, die göttliche Weisheit lehrten und göttliche Taten verrichteten. 2. Die große Masse selbst, bei welcher die Denkkraft in einem dumpfen Zustande war, trotzdem sie Fähigkeiten naturwüchsiger Art besaß, welche der heutigen Menschheit verlorengegangen sind. 3. Eine kleinere Schar von solchen, welche die Denkkraft entwickelten. Diese verlor dadurch zwar allmählich die urwüchsigen Fähigkeiten der Atlantier; aber sie bildete sich dafür heran, die Grundsätze der «Götterboten» denkend zu erfassen. – die zweite Gruppe der Menschenwesen war dem allmählichen Aussterben geweiht. Die dritte aber konnte von dem Wesen der ersten Art dazu herangezogen werden, ihre Führung selbst in die Hand zu nehmen.

Aus dieser dritten Gruppe nahm der genannte Hauptführer, welchen die okkultistische Literatur als Manu bezeichnet, die Befähigtesten heraus, um aus ihnen eine neue Menschheit hervorgehen zu lassen.

Die folgenden Mitteilungen beziehen sich auf den Übergang der vierten (atlantischen) Wurzelrasse in die fünfte (arische), welcher die gegenwärtige zivilisierte Menschheit angehört. Nur derjenige wird sie richtig auffassen, der sich von dem Gedanken der Entwickelung in seinem ganzen Umfange und in seiner ganzen Bedeutung durchdringen kann.

Rudolf Steiner: Aus der Akasha Chronik, Übergang der vierten in die fünfte Würzelrasse

Uit één groep van drie mensachtige groepen kwam een nieuw wortelras voort dat tot de hedendaagse mensheid behoort. De op aarde ontstane wortelrassen worden ingedeeld in tijdvakken, door Steiner benoemd als Polaris, Hyperborea, Lemurië, Altantis en na-Atlantis of Arisch (huidige).

evolutiemodel

antroposofisch evolutiemodel

‘Wij Ariërs’ ontstaan in de overgang van het vierde wortelras (Atlantiërs, daar zijn ze ) naar het vijfde wortelras (Ariërs). Steiner zegt dat een groot leider, in de occulte literatuur bekend als Manu, uit de derde groep Atlantiërs er een aantal uitkoos om de nieuwe mensheid vorm te geven. Het is deze Manu, de stamvader van de hedendaagse mens, die volgens de mythe zijn volk redt van de zondvloed. Volgens een schema van de aan het begin van dit artikel al genoemde docent van de antroposofische lerarenopleiding, is de overgang van het vierde of Atlantische wortelras naar het vijfde of Arische wortelras te situeren rond 7900 voor Christus. Het is deze periode die in het geschiedenisonderricht in de vijfde klas aan bod komt. Volgens dit schema ziet het Atlantische tijdvak er als volgt uit.

  1. Atlantische periode, 24.000 v.C.: differentiatie vier archaïsche types
  2. Atlantische periode, 21.600 v.C.: spirituele vorming van de mensheid
  3. Atlantische periode, 19.400 v.C.: vorming van rassen (Tolteken en Oude Iindianen)
  4. Atlantische periode, 17.300 v.C.: vorming van Toeraniërs, eerste tekenen van decadentie
  5. Atlantische periode, 15.100 v.C.: Oude Indianen trekken naar Amerika, eerste teken van mentale en op zichzelf gericht zielsactiviteit, wat samenvalt met de vorming van de Semieten
  6. Atlantische periode, 13.800 v.C.: vorming Oude Soemeriërs, ontwikkeling van astronomisch denken en sociale orde
  7. Atlantische periode, 10.500 v.C.: grote migratiegolven, ondergang Atlantis door zondvloed

Het volgende tijdvak dat volgt, is het onze, het Arische of post-Atlantische, waarvan het begin volgens de ‘antroposofische tijdrekening’ is gesitueerd rond 7900 v.C. Wij zouden ons sinds de vijftiende eeuw in de vijfde post-Atlantische periode bevinden. Het is vanaf de beschrijving van het post-Atlantische tijdvak dat in het schema, gebaseerd op Steiners geschiedenisinterpretatie, elementen beginnen voorkomen die in dezelfde lijn liggen als de op wetenschappelijke bronnen gebaseerde, officiële geschiedenis. Er dient hier wel te worden vermeld dat de tijdsaanduidingen die in het schema voorkomen niet van Steiner zijn (hij gaf zelden tijdsaanduidingen). Waar Steiner zijn waarnemingen betreffende Atlantis haalt, namelijk uit zijn zelfverklaarde helderziendheid, benadrukt hijzelf in de Akashakroniek.

(…) In meinen Vorträgen über die Entwickelung der Erde und der Menschheit wird darauf hingewiesen, daß die Vorfahren der jetzigen Kulturvölker auf einem Landesgebiet gewohnt haben, welches sich einstmals an der Stelle der Erdoberfläche ausdehnte, die heute von einem großen Teile des Atlantischen Ozeans eingenommen wird.(…)

(…) Man kann hellseherisch dies Alte Land durchforschen: die Erscheinung des Regenbogens gab es damals nicht. Sie trat erst in der nachatlantischen Zeit auf. Unsere Vorfahren lebten in einem Nebelland. Diese Tatsachen sind durch rein übersinnliche Beobachtung gewonnen (…)

Rudolf Steiner, Aus der Akasha Chronik, Vorurteilen aus vermeintlicher Wissenschaft

Altantis bevond zich ergens als landmassa en bestreek een groot gebied van wat nu de Atlantische Oceaan is. Onze voorvaderen leefden in een nevelland. Deze feiten zijn door zuiver bovenzinnelijke waarneming bekomen, aldus Steiner. En het was de grote Manu die zijn volk uit de nevelen van Atlantis leidde en zo voorkwam dat ze ten onder gingen. De mythologische Manu is volgens Steiner en de zijnen een historische figuur, afkomstig van een mythologisch eiland dat is verdwenen zonder een spoor na te laten.

Trojaans paard

Wat leerkrachten op steinerscholen volgens de leerplannen ‘de sage van Manu en de zeven Rishis (eventueel Plato: Atlantis)’ noemen, is eigenlijk iets waarvan men kan zeggen dat de vlag de lading niet dekt. In werkelijkheid is deze sage van essentieel belang om Steiners visie op de mensheidsontwikkeling het onderwijs binnen te loodsen. Men kan dit in de leerplannen nog zoveel voorstellen als sagen (eigenlijk verhalen waarin een geografische bijzonderheid of een bovennatuurlijk verschijnsel wordt verklaard) of mythen als men wil: volgens Steiners antroposofie gaat het wel degelijk over een historische gebeurtenis. Bovendien wees Steiner erop dat wanneer men iets vertelt, het erop aankomt dat de verteller zelf gelooft wat hij vertelt om de toehoorder te overtuigen.

(…) Wanneer men namelijk in beelden tot iemand spreekt, dan werkt op hem niet alleen wat men zegt of aantoont, maar er gaat van degene die vertelt een fijne geestelijke stroom uit naar degeen die de mededeling ontvangt. Als de verteller niet zelf een warm gevoel heeft voor zijn beeld, als hij niet zelf aan zijn gelijkenis als aan een werkelijkheid gelooft, dan maakt hij geen indruk op zijn toehoorder. De juiste uitwerking heeft het beeld slechts, wanneer het gevormd wordt uit een geesteswetenschappelijke overtuiging, wanneer de gelijkenissen uit de geesteswetenschap zelf voortvloeien. (…)

(…) Hij gelooft er zelf aan uit volle overtuiging, en dit geloof gaat als in een geheimzinnige stroom van de spreker op de toehoorder over en wekt eveneens overtuiging. Zo stroomt leven, onmiddellijk, tussen opvoeder en leerling over en weer. (…)

Rudolf Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie (‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtpunkte der Geisteswissenschaft’)

Opvoeders dienen volgens dit citaat van Steiner hun geloof op hun kinderen over te brengen. Men kan dit volgens hem doordat er een fijne geestelijke stroom van spreker naar toehoorder uitgaat. Dat is niet niks. Zeker als je weet dat verhaalstof een heel belangrijke plaats in het curriculum van de steinerscholen inneemt. Steinerscholen willen zich allesbehalve confessionele scholen laten noemen, maar dit lijkt toch sterk op geloofsoverdracht van geesteswetenschap (antroposofie).

De kinderen hebben oog voor het element evolutie doordat zij inzien dat de mensen in het verleden en op andere plaatsen op een andere wijze leefden, voelden en dachten dan de mensen hier en nu (eindtermWO55)

Deze reeds aangehaalde eindterm is natuurlijk vrij in te vullen, zodat ook Steiners evolutiemodel daarvoor in aanmerking komt. Evolutie is een ruim begrip. En wie denkt nu dat een verhaaltje over een of andere myhologische mensheidsleider genaamd Manu eigenlijk letterlijk als waargebeurd scheppingsverhaal van de mensheid dient te worden genomen?

Maar zelfs al zou de geschiedenis van Manu niet aan bod komen in de vijfde klas van de steinerschool, zou men zich kunnen afvragen in welke mate een evolutiemodel zoals dat van Steiner toch niet op een of andere manier via allerlei andere verhalen als een paard van Troje het onderwijs wordt binnengeloodst. Het is moeilijk voor te stellen dat leraren die in hun opleiding of vorming Steiners geschiedenisinterpretatie hebben bestudeerd en de waarde ervan hebben ingezien, deze niet met hun pupillen zouden willen delen. En die mythologische verhalen gaan erin als zoete koek. De waarheid, niks dan de waarheid, zo helpe me God?

Bijlage

Uit een literatuurlijst gekregen tijdens een geschiedenisles op de lerarenopleiding van Hogeschool Helicon, toegevoegd bij ‘De lijn doorheen het geschiedenisleerplan op Vrije Scholen’ van Hans Peter van Manen: Geschiedenis van de Oude Culturen; Atlantis; X. de Win: Plato, verzameld werk/R.Steiner, Uit de Akashakroniek/H.Gsanger, Atlantis

Toegevoegd 19/03/2017

Geschiedenis op steinerscholen – Rudolf Steiners pseudowetenschap

 

76 Comments (naar externe site)

Delen