by Ramon De Jonghe •  • 11 Comments

kruis1‘De strijd tussen wreedheid en tederheid die zich op het toneel van de geschiedenis afspeelde, speelt zich evenzeer af in de ziel van de zesdeklasser, thuis zowel als in de klas.’

Dit schrijft een steinerschoolleerkracht in het schooltijdschrift van de Rudolf Steinerschool Gent. Wat deze strijd zoal voor de ziel betekent mocht de voorbije week een leerlinge van de Leuvense steinerschool aan den lijve ondervinden. In het kader van het vak levensbeschouwing mocht het meisje namelijk eens voelen hoe het strafrecht in de Romeinse tijd werd toegepast. Want in de steinerschool baseert men zich op culturele fylogenese, wat in enkele woorden wil zeggen dat het kind volgens steineradepten in zijn ontwikkeling de geschiedenis van de hele mensheid versneld doormaakt. De fase waarin een zesdeklasser (11-12j) zich bevindt zou dan overeenkomen met de Romeinse cultuur. Daarom had de leerkracht met de volledige klas een aantal straffen uitgewerkt die zonder verpinken zouden worden toegepast wanneer iemand de regels zou overtreden. In het verzinnen van wrede straffen waren Romeinen trouwens heel sterk. Wat vond de zesde klas steinerschoolromeinen zoal uit: het hoofd in een emmer ijskoud water steken, honderd keer de trap op en af lopen, een hele week ezelsoren dragen, drie minuten aan een rekstok hangen, en nog een aantal van die absurditeiten die het de leerlingen gemakkelijker zouden moeten maken om zich in te leven in de strenge tucht die  ten tijde van de Romeinen heerste.

Het spreekt voor zich dat de klas, vol elf- en twaafjarigen, amper kon wachten tot iemand de regels zou overtreden. Want er is in onze ziel nu eenmaal, onze leraren zeggen het zelf, een strijd tussen wreedheid en tederheid. Nu nog  iemand vinden om op een ‘rechtvaardige’ manier deze wreedheid te kunnen uitleven. De bedenkelijke eer om de eerste veroordeelde te zijn komt de hierboven aangehaalde leerlinge toe. Het meisje mag zich in de klas voor haar medeleerlingen, die naar Romeinse gewoonte een tribunaal vormen, komen verantwoorden (collectieve morele veroordeling). Ze heeft het namelijk gedurfd om in de lach te schieten toen een van de klasgenoten tijdens het spel een bal tegen het hoofd kreeg. Het verdict is eenduidig: schuldig. Strafmaat: honderd keer de trap op en af lopen. Wanneer het meisje haar straf voor de helft heeft uitgevoerd loopt het mis: van uitputting maakt ze een val en moet van pijn opgeven. De hele klas lacht. Maar de straf moet ze later dan maar uitvoeren: zo is het nu eenmaal bij Romeinen. Dat deze praktijk voor een tiener die aan het puberen is een dermate grote vernedering is dat die jaren van invloed kan zijn op zijn zelfvertrouwen komt blijkbaar bij steinerschoolleerkrachten die zo’n situaties ensceneren niet op. Wat nog het ergste van het hele gebeuren is: dat het hier niet gaat om een ideetje van een individuele leerkracht, maar wel om een methode die systematisch in steinerscholen wordt gehanteerd.

Bij nazicht van relevante literatuur komt dit ook  tevoorschijn. In Duitsland klapte een voormalig steinerschoolleraar en school-psycholoog uit de biecht in een kritisch-psychologische studie over de steinerscholen. Alhoewel het een meer dan twintig jaar oude studie is, blijkt ze nog niet aan actualiteit te hebben ingeboet. Daarom werd de studie in 2008 heruitgegeven. De auteur ervan, Fritz Beckmannshagen, vermeldt ‘dat het afschrijven van het bord, in de hoek staan, aan de oren of aan de haren trekken en de herinvoering van de lijfstraf oude koek is’. (Op deze site kwam het onderwerp straffen ook al aan bod). Beckmannshagen heeft het echter niet alleen over lijfstraffen. Wanneer kinderen niet gehoorzaam genoeg zijn, blijkt ‘collectieve morele veroordeling van een kind bijzonder werkzaam te zijn’ (voor de hele klas vernederd worden). Beckmannshagen vermeldt zelfs kinderen waarvan ‘de handen met plakband aan de bank waren vastgeplakt’. (1)

Op de website van de steinerschool van Turnhout kunnen we dan weer lezen hoe belangrijk recht is voor zesdeklassers.

‘…Kinderen van een zesde klas vragen om duidelijkheid, het recht komt boven de vriendschap te staan. Het lijken echte politieke strijders. Problemen en moeilijkheden gaan ze niet uit de weg maar bevechten ze met woorden. Ze willen hard werken aan de taal en zijn daarin onverbiddelijk. Een fout is een fout en dient niet toegedekt te worden. Het is dan ook hier dat je een kind kan zeggen: ‘dat is niet goed en vertel zelf maar eens waarom!’ De Romeinse cultuurperiode wordt verteld…’

En dat de beleving van de Romeinse cultuur in de zesde klas van de steinerschool een vaste waarde is weet zo goed als iedereen die  iets met steinerscholen te maken heeft. Voor wie het nog niet weet:  Hans Peter van Manen, steinerschoolleerkracht en historicus schrijft in de leerlijn door het Vrije School-geschiedenisleerplan het volgende:

‘…De zesde klas heeft als thema de Romeinen en de middeleeuwen. Geschiedenis en vertelstof gaan hand in hand. De kinderen zijn of worden twaalf jaar. Zij voelen zich in het schoolleven zeker en verlangen naar een sterke exactheid. Die vonden ze bij de Romeinen…’ (2)

Maar ook het leerplan wereldoriëntatie van de steinerscholen  kan ons iets bijbrengen

‘…Wereldoriëntatie biedt het kind de mogelijkheid om zich met de wereld, in de ruimste zin van het woord te verbinden. De wereld wordt niet uitsluitend feitelijk verkend, maar aan de hand van feiten worden gevoelens gewekt, waardoor verkenning tot beleving wordt.

Geschiedenis van het Romeinse Rijk
Het belang van Rome voor de mensheidsontwikkeling. De beschrijving van het ontstaan, bloei en ondergang van het Romeinse Rijk. Zij ontwikkelden de speciale vaardigheid om hun leven en handelen met rechtsnormen te doordringen en een uitgesproken gevoel voor gerechtigheid. Het individu(ele gevoelsleven) wordt belangrijk.
Mogelijke onderwerpen
-ontstaan van Rome en de zeven koningen
-de Republiek; de patriciërs en de plebejers; het belang van het rechtswezen…’

In het antroposofische tijdschrift Driegonaal werd twee jaar geleden het in steinerscholen als excuus voor onkunde gebruiken van de analogie van de Romeinse cultuurperiode met de ontwikkeling van een twaalfjarige als volgt omschreven:

‘…De ouders van een bepaalde klas beginnen wat bezorgd te worden. Er is veel onrust en gedoe. Sommige kinderen gaan niet graag naar school en een paar kinderen zijn al naar een andere school gegaan. Een goed gesprek op een ouderavanond moet het vertrouwen herstellen. De leerkracht vertelt die avond dat hij er zeer mee geworsteld heeft maar nu weet hoe het zit: de kinderen zijn eigenlijk allemaal oude Romeinen, vandaar…’ (3)

De auteur geeft ook nog duiding bij dit stukje:

‘…Voorbeeld 9 is een voorbeeld van het misbruiken van de antroposofie, als maskering voor eigen onvermogen. In plaats van de problemen in het hier en nu te willen zien, beschrijven, onderzoeken en aan te pakken, wordt een zweverig, quasi-spirituele wending aan de zaak gegeven: ‘jullie kinderen zijn eigenlijk een stelletje geïncarneerde Romeinen – en wij zijn zo knap en spiritueel dat we dat gezien hebben!’ (maar vraag niet wat dat verder te betekenen heeft, laat staan hoe wij denken de zaak aan te pakken)…’ (3)

Het lijkt wel alsof men in steinerscholen met alle geweld de Romeinse geest van weleer wil ophalen. Of is het: de Romeinse geest met alle geweld ophalen? Als afsluiter nog een stukje ‘inzicht’ van een steinerschoolleerkracht.

‘…De zesde klas. De geest voedt zich. de individualiteit van het kind kan zichtbaar worden. Het IK-wezen wil zich openbaren. In het gedrag zien we een tweeslag: langs de ene kant een grote brutaliteit, langs de andere kant een grote kwetsbaarheid. … Voornamelijk de Romeinse tijd en de Middeleeuwen worden (exemplarisch) behandeld. Alles moet werkelijk gebeurd zijn: de zesdeklasser wordt aardser. De zesdeklasser heeft regels nodig: deze regels bestraffen het gedrag (de daad), niet de persoon (de dader). In Rome ontwikkelt zich de wet, het recht met zijn strenge rechtsregels, en ieder is gelijk voor de wet (bloedsbanden mogen niet meer gelden). … De strijd tussen wreedheid en tederheid die zich op het toneel van de geschiedenis afspeelde, speelt zich evenzeer af in de ziel van de zesdeklasser, thuis zowel als in de klas…’ (4)

Noten:

1) Fritz Beckmannshagen: Rudolf Steiner und die Waldorfschulen. Eine psychologisch-kritische Studie, ed. J. Paul 2008 Zomereditie Vordenker.de, eerste uitgave Paul-Hans Sievers Verlag Wuppertal 1984

2) Hans Peter van Manen, De leerlijn door het Vrije School-geschiedenisleerplan (bijlage geschiedenissyllabus Hogeschool Helicon 2006)

3) John Hogervorst, Vrije scholen op de tweesprong, Driegonaal nummer 3/4 december 2007

4) Paul Barbé, Sprookjes, fabels, verhalen, mythen – voedsel voor kinderen in de onderbouw, De Mare – schooltijdschrift steinerschool Gent

 

11 Comments (naar externe site)

Delen