Inleiding

Steineronderwijs profileert zich graag als steeds vernieuwend en vooruitstrevend. In de praktijk blijkt vaak het omgekeerde en de talrijke vernieuwingen die de laatste decennia in het onderwijsveld zijn doorgevoerd, lijken aan de steinerschool te zijn voorbijgegaan. Een paar jaar geleden bevestigde een schoolbegeleider ‘dat in de hele geschiedenis van de steinerschool in feite weinig is gebeurd. Er wordt nog steeds periodeonderwijs gegeven en de thematieken zijn nog grotendeels hetzelfde. Ideeën van Steiner worden nog klakkeloos overgenomen.’[3] Dat is op zich niet zo verbazingwekkend.

Wanneer we historisch naar het onderwijs en meer bepaald de visie op ontwikkeling van kinderen kijken, blijkt dat drie grote strekkingen de laatste eeuw hun stempel op het onderwijs hebben gedrukt. Dat zijn: klassiek onderwijs (ontstaan 19de eeuw, eenzijdige nadruk op leerstof), reformpedagogie (Steiner, Freinet, enz., ontstaan begin 20ste eeuw, eenzijdige nadruk op het individuele) en ontwikkelend onderwijs (o.a. Vigotsky, tweede helft 20ste eeuw, individu en leerstof gaan samen). Het laatste noemt men regulier onderwijs en is in wezen een reactie van het klassiek onderwijs op de reformpedagogie, die op haar beurt weer een reactie was op het klassiek onderwijs. In die context zou men eigenlijk reformscholen kunnen zien als traditioneel onderwijs (de traditie van de grondlegger volgend), waar men reguliere scholen als vernieuwingsonderwijs zou kunnen betitelen (mee veranderend met en aanpassend aan de samenleving of ontwikkelend). Uitgangspunt van ontwikkelend onderwijs: niet alleen de persoonlijkheid van het kind, maar ook de verhouding van die persoonlijkheid, of misschien beter individualiteit, met de cultuur dient de volle aandacht te krijgen. Of: innerlijke ontwikkeling in samenspel met uiterlijke factoren.

De werkwijze van reformscholen zoals de steinerschool, waarbij men vooral focust op de persoonlijkheid, wordt ook wel adaptief onderwijs genoemd. Vrij vertaald betekent dit: onderwijs op maat. Nu zou al vlug kunnen worden gedacht dat dit in het geval van de steinerschool ‘op maat van het kind’ betekent. Onderwijsdeskundigen wijzen er echter regelmatig op dat de steinerschool een normatieve pedagogie hanteert die sterk is georiënteerd op Rudolf Steiners denkbeelden over de ontwikkeling van de mens. Men zou ze op maat van deze ideeën kunnen noemen. In een in 2007 verschenen kaderdocument van de Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen kunnen we lezen dat steinerscholen werken met het antroposofische mensbeeld om naar de mens en het kind te kijken. Dit mensbeeld staat centraal in al het pedagogische handelen en in de ontwikkeling van visies rond de school. Het is om een beter begrip te krijgen van wat de steinerschool nastreeft belangrijk om te weten wat het antroposofisch mensbeeld precies inhoudt. In verscheidene hoofdstukken van deze publicatie zal daarom verwezen worden naar dit mensbeeld. Wat niet wil zeggen dat het in detail zal worden besproken. Alleen de grote lijnen zullen worden weergegeven in een poging het verband zichtbaar te maken tussen de achterliggende filosofie van de steinerschool en de daaruit voortvloeiende pedagogische problemen in de schoolpraktijk. Dat is geen gemakkelijke opgave: Steiners oeuvre beslaat meer dan driehonderd titels. Zijn verzamelde werk, de Gesamtausgabe, is in zijn totaliteit op te vatten als een soort bijbel voor antroposofen, de aanhangers van Steiners leer: het is een uitputtend oeuvre dat uitblinkt in vaagheid.

Vanwege de vaagheid van stellingen en de bijhorende mogelijkheden tot zeer ruime interpretatie is de inhoud van Steiners leer op alle terreinen toepasbaar. De geesteswetenschappelijke inzichten die vanuit hogere, geestelijke werelden via een verborgen boek (Akasha) aan Steiner zijn geopenbaard kunnen niet aan de werkelijkheid worden getoetst. Uitgezonderd, aldus de aanhangers, wanneer de richtlijnen van Steiner onbevooroordeeld worden opgevolgd. Dit heeft veel van een gesloten systeem waarin de ‘meester’ de waarheid in pacht heeft en de discipelen, als ze maar goed hun best doen, misschien kunnen opklimmen tot het niveau van hun vereerde meester om deelgenoot te worden van het inzicht in universele waarheden. Dat Steiners leer zelden strookt met de empirische werkelijkheid; vol beeldspraak zit die wordt voorgesteld als feiten; wordt geïmmuniseerd tegen kritiek en bovendien dubieuze rassentheorieën bevat, wordt niet zelden door antroposofen weggewuifd met de eenvoudige zinsnede: ‘Om Steiner te begrijpen dient men de antroposofische scholingsweg te hebben doorlopen’. Dit is vergelijkbaar met wat voorkomt in eender welke religie die zich beroept op een heilig boek. Wat zegt men daar: ‘God (en al zijn varianten) heeft altijd gelijk, want het staat geschreven’.

De steinerpedagogie zit in de door Steiner opgehoeste antroposofische ‘bijbel’ ingebed. Wat houdt de antroposofische scholingsweg precies in? Een moeilijke vraag, waarop misschien alleen God het antwoord kent. Van de top van de steinerschoolbeweging valt voor de beantwoording van deze vraag in ieder geval niet veel te verwachten. Werner Govaerts van de Mandaatgroep Vorming en Opleidingen van de Federatie van Steinerscholenworstelt met het vinden van een beschrijving van wat antroposofie inhoudt. Uit een artikel op zijn website komt naar voor ‘dat aangezien de steinerscholen hun onderwijs verstrekken vanuit de pedagogische ideeën van Rudolf Steiner en aangezien de pedagogische inzichten van Rudolf Steiner deel uitmaken van zijn globale visie op mens en wereld (m.a.w. zijn levensbeschouwing), die hij zelf antroposofie of geesteswetenschap heeft genoemd, zal het duidelijk zijn dat de antroposofie als levensbeschouwing een fundamentele rol speelt als achtergrond van de steinerpedagogie. Het is echter niet gemakkelijk een omschrijving of een definitie van de antroposofie te geven. De antroposofie is zo omvattend dat het voor elke geïnteresseerde een levenslange zoektocht is’.[4]

Een levenslange zoektocht. Is het dan niet aannemelijk dat wanneer een school op die levenslange zoektocht in cirkeltjes blijft draaien haar leerlingen bij het verlaten van de school zijn veroordeeld tot levenslang achter de feiten aanhollen? Wanneer zich in de praktijk problemen voordoen die zijn terug te voeren op de achterliggende wereldbeschouwing, is het voor woordvoerders van de steinerschool niet moeilijk om met teksten aan te komen zetten die het tegenovergestelde aantonen. Zoals aangehaald: de antroposofie, wat dat blijkbaar buiten een levenslange zoektocht ook mag zijn, is veelomvattend. Bovendien hebben antroposofen, de mensen die de touwtjes van de steinerschool strak in handen hebben, de onhebbelijkheid dat ze in het publieke debat zelden te kennen geven hoe ze echt over onderwijs denken. En nog minder schrijven ze hun ware gedachten op, enkele uitzonderingen buiten beschouwing gelaten.

Die gedachten komen wel aan het licht wanneer men enkele jaren vertrouwelijk met antroposofen omgaat en de zo opgedane ervaringen koppelt aan een studie van de antroposofische literatuur. Door het niet in overeenstemming zijn van wat intern wordt gezegd en dat wat naar buiten toe wordt uitgedragen, doemt al vlug het beeld op van een verborgen agenda. Zelfs een vooraanstaand antroposoof die zich momenteel op politiek terrein begeeft, maakte in 2003 ineen van zijn verhandelingen de toespeling dat in vele boekjes over steinerpedagogie duidelijke stellingen van Steiner ontbreken.[5] Het ging dan meer bepaald over Steiners visie op de scheiding van staat en onderwijs.

In wezen komt het erop neer dat in de dialoog met steineradepten zelden een bindende conclusie uit de bus komt. Bij vragen krijg je heel diplomatisch zowel ja als nee en soms ook nog misschien te horen. Als je bijvoorbeeld vraagt of antroposofie tot de leerstof op steinerscholen behoort, kan je een antwoord in deze stijl verwachten: ‘Antroposofie behoort principieel niet tot de leerstof in steinerscholen en in de lessen wordt in de regel nooit over antroposofie gesproken. Behalve wanneer de leerlingen er zelf om vragen, wordt vrijblijvend een inzicht in de antroposofie van Rudolf Steiner aangeboden. Maar doordat de leraren hun methodes baseren op inzichten die ze aan de antroposofie ontlenen heeft dat natuurlijk een invloed op het onderwijs dat ze verstrekken.’ In de regel geen antroposofische inhoud in de les, maar het gebeurt wel eens. Maar: wanneer een leraar eens de naam Rudolf Steiner of het woord antroposofie laat vallen, zal het toch niet verbazen dat leerlingen daar meer over willen weten (als ze thuis al niet zijn opgegroeid met het antroposofisch gedachtegoed). En wat te denken van leraren die bijvoorbeeld afbeeldingen van Steiner met daarbij een korte levensbeschrijving in de schriften van leerlingen plakken? Natuurlijk: dat wordt niet gezien als leerstof, maar louter als objectieve informatie. Deze tegenstrijdigheden komt men overal waar antroposofen hun stem laten horen tegen. Alsof ze er angst voor hebben om kleur te bekennen, wringen ze zich keer op keer in allerlei bochten om toch maar niet te moeten zeggen waar het hen om te doen is en waar ze voor staan.

In dit schotschrift komen een aantal zaken waarover men in de steinerschool niet erg mededeelzaam is aan bod. Het gaat vooral om enkele heikele kwesties. Een diepgaande analyse van de aan de steinerschool inherente problematiek is niet het opzet van dit boek, waardoor niet alle knelpunten hier de revue zullen passeren. Dat zou te ver leiden. Wie graag notie wil nemen van de steinerschool bij monde van haar aanhangers raad ik het boekje ‘Vrije Scholen, Grondbeginselen en methoden’ vanWim Veltmanaan. Hoewel het een beetje hoogdravend geschreven is door iemand die met een roze bril naar zijn eigen winkel kijkt, geeft het wel heel uitgebreid de inhouden van het steineronderwijs weer. Hetzelfde geldt voor Dik Crums ‘Onderwijs als kunst’, waarin de auteur vanuit een meer theoretische invalshoek de belangrijkste principes van de steinerschool belicht. Wie liever een kritisch- wetenschappelijke analyse leest, kan terecht bij Imelman en Van Hoek: ‘Hoe vrij is de Vrije School’. Een absolute aanrader, omdat in die analyse zowel het schoolsysteem als de achterliggende filosofie op de korrel wordt genomen. De lezer zal trouwens verderop in dit schotschrift een paar scherpe citaten van Imelman tegenkomen.

Goed om weten is dat de steinerschool in Nederland vrijeschool heet en in Duitsland waldorfschool. Om verwarring te vermijden (een vrije school is in Vlaanderen elke school waarvan de overheid niet de inrichtende macht is), heb ik ervoor gekozen om waar mogelijk waldorfschool of vrijeschool te vervangen door steinerschool. Uiteraard geldt dit niet voor citaten. Daar is de oorspronkelijke benaming behouden.

De lezer mag zich verwachten aan een reis doorheen enkele gebieden van de steinerschool die nog weinig bekend zijn bij het publiek. Daarin verweven zitten mijn ‘persoonlijke ervaringen’ die ook een opstap zijn om de vraag te stellen ‘waarom ouders voor een steinerschool kiezen’. In ‘didactische antroposofie’ worden een aantal vakken besproken in de context van de didactiek die Steiner voor die vakken voorschreef en die tot op vandaag quasi onveranderd wordt gehanteerd. Voorbeelden uit de dagelijkse praktijk zorgen voor een belangrijke bijdrage aan het beeld van de steinerschool anno 2009. Zeker om een beter begrip te krijgen voor wat mag worden verstaan onder ‘aftandse pedagogie. Afsluiten gebeurt met het meest gevoelige onderwerp: hoe verhoudt de steinerschool zich tot de samenleving of hoe sociaal is ze? In ‘ah, sociaal’ zal het schrikwoord sekte dan ook onherroepelijk meermaals vallen. Daarvoor heeft de lezer al kennis kunnen maken met ‘Steiners idee fixe’ en de achterliggende wereldbeschouwing, de antroposofie, waarop de steinerpedagogie zich baseert. Vooraleer de steinerschool ‘nader te bekijken’ wordt speciaal voor wie er weinig tot niets van af weet heel kort het ‘concept’ van het steineronderwijs geschetst.



[3] Y. van Holsteijn, Vrijeschoolonderwijs toe aan vernieuwing?, Seizoener 2006

[4] W. Govaerts, Het pedagogisch project van de middelbare Steinerscholen, http://users.telenet.be/artikelarchief/Paginas/Artikels/O_PedProjMidSch.html, (oorspronkelijk verschenen in Schoolleiding en -begeleiding, Wolters-Plantyn 28/05/2000)

[5] J. Verhulst, Condorcet en Steiner over democratie en onderwijs, Democratie.nu (oorspronkelijke uitgave Witte Werf 2003)

Leave a Reply