4. Waarom steinerschool?

Men kan zich de vraag stellen waarom ouders besluiten hun kinderen naar de steinerschool te sturen, terwijl die meer controverse teweegbrengt dan eender welk ander schoolsysteem. De kloof tussen voor- en tegenstanders blijkt daarenboven zo groot te zijn dat publieke discussies niet zelden ontaarden in regelrechte lastercampagnes waarbij geen middelen worden geschuwd. Onder andere daardoor is het moeilijk nog iets te publiceren in verband met de steinerschool zonder bij een van beide partijen te worden geklasseerd. Zowel integere critici als woordvoerders ontkomen niet aan het stempel van in het geval van de eersten haatdragend tegenover en in geval van de tweeden propagandist voor steinerpedagogie te zijn. De kans dat iedere objectieve poging om steineronderwijs te duiden bij voorbaat in de grond wordt geboord, is vrij groot.

Wat wel opvalt: woordvoerders van de steinerschool komen, in tegenstelling tot critici, zelden met degelijke argumenten om hun zaak te verdedigen tegen wat zij in hun jargon ‘een aanval van de tegenmachten’ noemen. [26] Regelmatig klagen ze critici via juridische weg aan. Ik heb me lang afgevraagd waarom men kritiek, als die toch nergens op gebaseerd zou zijn, niet gewoonweg de kop indrukt door er een goed onderbouwd verhaal tegenover te zetten.

Wanneer je betrokken bent geweest, wordt begrijpelijk hoe het komt dat men vanuit de steinerschool niet tot zo’n verhaal komt: hoe minder de mensen weten, hoe beter. Elke dialoog die wordt aangegaan met critici die zich terdege hebben verdiept in de ‘steinermaterie’ draagt een risico in zich; dat van het moeten prijsgeven van enkele essentiële en hoogst bedenkelijke basisideeën waarop steineronderwijs is gefundeerd. Basisideeën die wanneer ze ingang vinden bij het grote publiek al vlug verklaren waarom er zo veel controverse rond de steinerschool is en die ertoe bijdragen om te begrijpen hoe het komt dat in de volksmond wordt gezegd dat er weinig tot niets wordt geleerd en er vooral wanorde heerst. En natuurlijk kan worden aangetoond dat er wel iets wordt geleerd. Vraag is natuurlijk: wat?

4.1. Mooie plaatjes

Uitsluitend af gaan op wat in folders en op websites staat te lezen, is geenszins aan te bevelen. De vlag dekt immers niet altijd de lading. Met een paar slagzinnen en steekwoorden in een folder wordt trouwens de inhoud en de visie van een onderwijsproject zelden afdoende samengevat.

Voor sommige steinerscholen geldt dat de schoolfolder of –brochure de enige visietekst is die ze hebben. Bij gebrek aan een eigen visie vallen ze dan meestal terug op die van deFederatie van Steinerscholen. Naar de pers toe schamen die scholen zich er echter niet voor om te verkondigen dat ze ‘inhoudelijk heel sterk staan’. Ook andere publiciteitscampagnes doen het goed. Ik wil ze de kost niet geven, de ouders die louter op basis van het bijwonen van een schoolevenement kiezen voor de steinerschool. Of nadat ze een opendeurdag of geschenkenbeurs hebben bezocht en onder de indruk waren van de ‘gemoedelijke sfeer’ die er heerste. Begrijpelijk is het wel: tijdens feestelijke momenten hangt op de meeste plaatsen een prettige sfeer. Zeker wanneer voor de ‘aankleding’ van dergelijke festiviteiten alles uit de kast wordt gehaald en bij wijze van spreken de tanden een keer extra worden gepoetst. Zo kan de meest sympathieke glimlach worden bovengehaald en kunnen ouders van potentiële leerlingen later zeggen: ‘Wat was het mooi, hoe vriendelijk zijn we onthaald en wat een warme sfeer. En al die kleuren!’.

Maar de dingen zijn zelden wat ze lijken te zijn. Veel ouders komen nadat hun kinderen een tijdje naar een steinerschool zijn geweest op andere gedachten. Bijvoorbeeld dat het schoolsysteem zeer autoritair en gesloten is, in die zin dat de steinerpedagogie er wel eens gebruikt wordt om ouders monddood te maken en elke vorm van kritiek te elimineren. Dat ouderparticipatie vooral bestaat uit poetsbeurten en andere corveediensten, niet uit een gezamenlijke (kritische) reflectie op de onderwijsproblematiek van het individuele kind of de groep. Of dat wie zich desondanks kritisch uitlaat, ofwel een nietszeggend antwoord krijgt waarmee de aangekaarte kwesties op de lange baan worden geschoven, ofwel een stille hint dat het zwijgen of vertrekken is. Wanneer ouders uit overtuiging voor de steinerpedagogie kiezen, dan blijkt dit middel wel te werken.

Er zijn ouders die de keuze voor steinerpedagogie maken, omdat hun kind niet meekan in het reguliere onderwijs en om die reden is doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs (blo). Een inspectieverslag uit 2008 toont bijvoorbeeld dat in de oudste steinerschool van België, die op meer dan vijftig jaar ervaring kan bogen, in de hogere klassen kinderen zitten met een schoolse vertraging die niet samenhangt met de latere instroom op basis van leeftijd. Dit zijn meestal neveninstromers, vaak met een leerproblematiek. Ouders van deze kinderen kiezen voor de pedagogische aanpak via de steinerpedagogie en hopen om op deze wijze een verwijzing naar het buitengewoon onderwijs te vermijden.[27] Dit zou voor veel ouders wel eens een van de meest voorkomende redenen kunnen zijn om hun kind naar een steinerschool te sturen. Een rapport uit 2004 over zorgverbreding, opgesteld door de Federatie van Rudolf Steinerscholen, wijst ook in die richting.

‘…de concentratie aan zorgkinderen almaar groter wordt en dat steinerscholen vaak worden gezien als een alternatief voor het bijzonder onderwijs. In sommige gevallen is dat ook inderdaad een goede keuze, maar de instroom van steeds meer kinderen met een verschillende problematiek maakt dat de gezonde werking in de klas soms bedreigd wordt…’ [28]

Wanneer ik terugkijk naar de klassen van mijn kinderen kan ik dit alleen maar beamen. Maar het zijn niet allemaal kinderen die niet meekunnen of naar het buitengewoon onderwijs zijn doorverwezen.

Een aantal ouders kiest voor steineronderwijs, omdat ze om een of andere reden ontevreden zijn over het reguliere onderwijs. Dan heb je natuurlijk ook een groep ouders die antroposoof zijn en die, enkele uitzonderingen daargelaten, hun keuze gewoon uit (geloofs) overtuiging maken. Eén ding hebben echter volgens mij de meeste ouders gemeen: argeloos gaan ze ervan uit dat het beeld van de steinerschool dat hen tijdens infomomenten is geschetst een totaalbeeld is.

4.2. De argeloze ouder

Zelf wist ik toen ik mijn kinderen aan de steinerschool toevertrouwde blijkbaar ook niet genoeg van de gebruikte methodes om de werkzaamheid ervan te beoordelen. Wel kende ik de achterliggende filosofie en ik had een essay over antroposofische opvoeding[29] gelezen, geschreven door de ‘patroonheilige’ van de steinerschool. Maar de theorie is natuurlijk de praktijk niet en toen mijn kinderen eenmaal deel uitmaakten van de steinergemeenschap werden een groot aantal van de veel gehoorde clichés bewaarheid. Eigenlijk bleek de werkelijkheid nog erger dan wat ik had gehoord.

Ik zag om te beginnen een school waar complete willekeur heerste, niet alleen op pedagogisch, maar ook op bestuurlijk en intermenselijk vlak. Op de grote idealen waarmee de steinerschool zo graag haar onderwijs bekleedt, namelijk schoonheid, goedheid en waarheid, werd een schaduw geworpen door de respectloosheid, grofheid, brutaliteit, arrogantie en onverschilligheid waarmee over ouders en hun kinderen werd gesproken.

Uiteindelijk hebben mijn kinderen die school nog verlaten in de loop van het eerste schooljaar dat ze er les volgden. Daar waren twee hoofdoorzaken voor: mijn oudste kind werd zowel volgens zijn eigen, maar ook het getuigenis van de kinderverzorgster, op een zodanige hardhandige manier aangepakt dat de jongen er enkele jaren lang regelmatig met angst in het hart aan terugdacht. (Tijdens het eten, werd hij, toen nog kleuter, in een houdgreep genomen en dwong men hem soep te eten door de soeplepel met geweld in zijn mond te duwen). De tweede oorzaak was het feit dat leraren het er zich blijkbaar konden veroorloven om straffen uit te delen die dateren uit de periode toen in het onderwijs de houten liniaal als ‘pedagogisch werkmiddel’ nog in zwang was. Deze ouderwetse manier van opvoeden gebeurde met medeweten van verscheidene ouders en directie. Omdat aan mijn poging om dit aan te kaarten geen enkel positief gevolg werd gegeven en mij werd uitgelegd dat sommige kinderen baat kunnen hebben bij een ‘pedagogische tik’, keerde ik deze school definitief de rug toe. Mijn taak als opvoeder, boekhouder en bestuurslid legde ik onmiddellijk neer. In hetzelfde schooljaar heb ik contact gehad met mensen van verscheidene steinerscholen en één ding werd me wel duidelijk: de door mij waargenomen problemen kwamen in meer of mindere mate ook elders voor.

Verwonderlijk, zeg maar bevreemdend, is dat het schooljaar daarop mijn kinderen naar een andere steinerschool gingen. Noem het gerust naïviteit. Op dat moment was ik in de veronderstelling dat er veel verschil is tussen scholen onderling en dat men op basis van wat op een paar scholen gebeurt, men ze niet allemaal over dezelfde kam moet scheren. De redenering was dat het misschien gewoon pech was dat juist die scholen waar het niet goed ging binnen mijn blikveld vielen. Ik wist het toen nog niet, maar dat blijkt bij herhaalde crises een van de meest voorkomende excuses te zijn wanneer wordt geopperd dat het steineronderwijs globaal genomen van inferieure kwaliteit is.

Vanzelfsprekend zullen er ook wel scholen zijn waar eersteklas onderwijs wordt gegeven. Het zou dus onterecht zijn wanneer ik uitsluit dat in een aantal scholen eersteklas onderwijs wordt gegeven en kinderen er niet apathisch worden door elke dag te moeten vertoeven in een omgeving waar het erop aankomt wie nu de beste antroposoof is of wie de meeste boeken van Rudolf Steiner heeft gelezen. Ik ben zelfs blij dat ik leraren aan het werk heb gezien die er een erezaak van maakten hun leerlingen goed te leren lezen, schrijven en rekenen. Die spaarden naar steinerschoolse normen kosten noch moeite om uit hun leerlingen te halen wat erin zit. Maar toch: de tweede steinerschool waar mijn kinderen gingen, hoewel veel groter en over heel wat meer middelen beschikkend, kampte met gelijkaardige problemen als de eerste. Een aantal van die problemen zijn in een vorig hoofdstuk aangestipt. De geschiedenis herhaalde zich. En ze blijft zich herhalen. Zelfs binnen de antroposofische beweging roert men zich en dan is het echt vijf voor twaalf.

In het al ter sprake gekomen Driegonaalwerden bijvoorbeeld door een van de auteurs vergelijkbare problemen als die ik heb waargenomen en die volgens hem tot het beeld van de steinerschool behoren, treffend verwoord.[30] Grosso modo komt het erop neer dat ‘leraren de uurregeling van de school aan hun laars lappen; kinderen van school worden gestuurd omdat men de ouders beu is; huiswerk dat door de kinderen van de leraar wordt verbeterd; niet nakomen van afspraken; kinderen die amper spelen en voortdurend ruzie maken of mekaar pesten; enz.’. Ik zou daar nog aan kunnen toevoegen: leraren die steeds onderhuids ruziën over wie Steiner het beste heeft begrepen; ouders die met het gevoel rondlopen met een kluitje in het riet te zijn gestuurd wanneer ze vragen stellen over de slechte leervorderingen van hun kinderen; diezelfde kinderen die dan geviseerd worden omdat de ouders zo ‘moeilijk’ zijn; leraren die heel subtiel tot ontslag worden gedwongen; veelvuldig fysiek en verbaal geweld op de speelplaats en in de klas waar weinig tot niets aan wordt gedaan; kinderen die in de hogere kassen van de lagere school zitten die erbarmelijk kunnen lezen of schrijven en waar niets over mag worden gezegd; enz. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Dat verhaal duurde voor mijn kinderen vier jaar, wat beschamend lang is.

Wat aan de basis lag dat ik mijn kinderen ook van die school haalde, was wezenlijk hetzelfde als in de vorige steinerschool: het fysiek geweld en het niet mogen ter sprake brengen ervan. Dit pedagogisch falen, we hebben het dan nog niet over didactiek, kon niet besproken worden. Steinerschoolleraren hebben volledige autonomie. Wat ook enigszins wordt aangehaald in een door de Federatie van Steinerscholenopgesteld rapport uit 2004. Daarin wordt voorgesteld ‘dat de scholen duidelijk zouden maken waar voor hen in de praktijk de grens van de pedagogische vrijheid van de leraar ligt’. [31] In het hoofdstuk over straffen wordt op deze autonomie van de leraar verder ingegaan.

Wat hebben mijn zonen onder andere aan die zogenaamde pedagogische vrijheid overgehouden? Ten eerste dat ze ondanks het feit dat ze een normale begaafdheid en geen leer- of gedragsstoornissen hebben, alle drie naar het buitengewoon onderwijs moesten overschakelen wegens te veel leerachterstand en een slechte leerattitude. Een zure appel om doorheen te bijten. Ten tweede dat hun schoolloopbaan gehypothekeerd is, omdat ze de opgelopen leerachterstanden maar in die mate hebben kunnen inhalen dat ze bij kinderen in de klas zitten die een jaar jonger zijn. Voor hun klasgenoten hebben ze gedubbeld. Met deze problematiek krijgen tal van kinderen en ouders te maken. Een ouder die ik interviewde (één van de vele) naar aanleiding van klachten die ze had, stemde toe om een gedeelte van het interview dat ik met haar had weer te geven.

‘…Mijn zoon zit in de hogere jaren van wat men in de steinerschool de onderbouw noemt. Ik ben niet te spreken over het cognitieve onderwijs in de school. Eigenlijk is mijn kind ongeletterd te noemen, omdat het niveau waarop het leest en schrijft dat van een kind is dat een paar klassen lager zit. Ook het rekenniveau is over de hele lijn ondermaats.

Ik heb dit herhaaldelijk bij de leerkracht aangekaart, echter zonder gevolg. Alles zou wel goed komen na verloop van tijd. Concreet werd er echter niets gedaan. Na verloop van tijd heb ik me bij de situatie neergelegd, me ermee verzoend, voornamelijk vanwege het feit dat het op sociaal vlak vrij goed gaat in de klas: er zijn enkele klasgenoten waarmee mijn zoon heel goed opschiet en de leerkracht blijkt sociaal geëngageerd. Het sociale is voor mij een niet te verwaarlozen onderdeel van de opvoeding, waarbij ik wel opmerk dat het algemeen genomen in de school nogal asociaal aan toe gaat.

Ik blijf wel met een wrang gevoel zitten. De mogelijkheid om je kind probleemloos naar het reguliere onderwijs te laten overschakelen, zou een heel wat prettiger gevoel geven dan de wetenschap dat het vastzit aan een bepaalde school. Het middelbaar kan mijn zoon nog in de steinerschool doen. Maar wat daarna? Hij heeft nu al de basis gemist.

Ik zie me voor een voldongen feit geplaatst en voel me opgelicht. De steinerschool beweert immers minstens evenveel of meer aan te bieden dan andere scholen, alleen op een andere manier. Maar waarom staat mijn zoon dan zoveel achter en kan hij zo slecht lezen, schrijven en rekenen? Gezien de achterstand die hij heeft, is de enige optie het buitengewoon onderwijs. En dat zie ik niet zitten…’

Dit is zeker geen alleenstaand geval, want het vindt bevestiging in tientallen interviews met ouders van leerlingen en oud-leerlingen waarin gelijkaardige verhalen aan bod kwamen. Het werd mij door het bestuderen van deze problemen, en de steinerpedagogie in het algemeen, vrij vlug duidelijk dat er een groot verschil is tussen hoe de steinerschool zich naar de buitenwereld profileert en wat ze werkelijk is en doet: de vlag dekt de lading niet. Dit pamflet mag dan een stukje van de sluier oplichten, een uitgebreide academische studie naar de werking van de steinerschool zou geen overbodige luxe zijn.

Eén van de eerste zaken die dan aan bod mag komen, is de antroposofische leesdidactiek. Alleen al omdat lezen essentieel is in het hedendaags onderwijs. Wie niet goed op niveau kan lezen, kan voor de meeste andere vakken ook niet mee. In de steinerschool heeft men een andere visie dan die van het reguliere onderwijs. Het onderwijs is er de eerste jaren van de basisschool overwegend auditief. De leraar vertelt, de leerling luistert. Leren schrijven, dat voorafgaat aan leren lezen, bestaat in de eerste jaren van het basisonderwijs overwegend uit tekenen en tekst overnemen van het bord. Omdat leerlingen vanaf het moment dat ze een letter mogen optekenen zondermeer van het bord kopiëren, wekt dat natuurlijk op buitenstaanders die hun schriften onder ogen krijgen de indruk dat ze kunnen lezen en schrijven. Bij testen waar kinderen zelfstandig moeten schrijven, komt dan vaak de aap uit de mouw. Een leerling van het vijfde leerjaar produceerde bijvoorbeeld dit:

‘…hoe breet is het podiem in de zaal…waarom hou je niet van aartbeien…boter hamen worden soms verpakt in aluminium…ze heeft er om gehuilt…’

In het bijhorend verslag staat dat de taalspelling superzwak is (toe nu?) en de leerling wordt behandeld alsof hij dyslexie heeft, wat men in het zesde leerjaar (!) nader wil onderzoeken. Vrij laat om te gaan onderzoeken, want dat is het laatste jaar van de basisschool. Maar vooraleer enkele didactische principes vanuit de antroposofie nader te bekijken, wordt de achterliggende wereldbeschouwing van de steinerschool, de antroposofie belicht.



[26] Met tegenmachten wordt in de antroposofie meestal de gevallen engel Ahriman bedoeld. In tegenstelling tot Lucifer, die de mens laat zweven, haalt Ahriman de mens naar beneden, de materie in. Ahriman wordt gezien als de inspirator van het materialisme.

[27] Inspectieverslag Rudolf Steinerschool Antwerpen, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming 2008, ref.0809/5/014

[28] I. De Cnodder, Zorgverbreding in Vlaamse Steinerscholen, Werkgroep onderbouwFederatie van Steinerscholen in Vlaanderen 2004

[29] R. Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie, Vrij Geestesleven 1992

[30] J. Hogervorst, Vrije Scholen op de tweesprong,Driegonaal nr. 3/4 december 2007

[31] Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen,  Rapport zorgverbreding in Vlaamse Steinerscholen, Werkgroep onderbouw 2004

Comments are closed.