5. Steiner en zijn idee fixe

Rudolf Steiner (Kraljevec1861 – Dornach 1925) was een charismatisch spiritueel leider die na enkele jaren voorzitter van de Duitse Theosofische Vereniging te zijn geweest, in 1913 de Antroposofische Vereniging oprichtte. De term ‘antroposofie’ haalde hij op uit het Grieks. Letterlijk vertaald betekent antroposofie ‘mensenwijsheid’ (anthropos: mens en sophia: wijsheid).

Steiner stond bekend als intelligent, heel welbespraakt (hoewel niet altijd even gemakkelijk te volgen), beschikte naar alle waarschijnlijkheid over een fenomenaal geheugen en wordt beschreven als een indrukwekkende publieke persoonlijkheid. Zijn grote belangstelling lag vooral in wat hijzelf de ‘bovenzintuiglijke’ wereld noemt.

Dit is de geestelijke wereld die niet zou kunnen worden waargenomen met behulp van onze gewone zintuigen. Enkel dankzij helderziende vermogens zou men een blik in de geestelijke wereld kunnen werpen.Helderziendheid die Steiner zichzelf toedichtte onder de noemer ‘schouwen’ en waarvan hij in zijn boek ‘Hoe verkrijgt men inzicht in hogere werelden?’ heeft beschreven hoe men dit vermogen kan ontwikkelen. Door zich voor zijn bevindingen bijna uitsluitend op deze vermogens te beroepen en door het ontbreken van verifieerbare bronnen in zijn geschriften, heeft Steiner zich buiten het wetenschappelijk discours geplaatst en wordt zijn antroposofie of geesteswetenschap als pseudowetenschappelijk gecatalogeerd.

Aanhangers hebben rond de man een mythe gecreëerd die tegenwoordig door veel mensen voor waar wordt genomen. Zo wordt Steiner te pas en te onpas voorgesteld als filosoof, schrijver, architect, pedagoog of natuurwetenschapper. Nochtans genoot hij in het Duitsland van zijn tijd uitsluitend bekendheid als occultist en grondlegger van de antroposofie. Zijn enige in strikte zin filosofische werk ‘Filosofie van de vrijheid’ mag derderangs filosofie worden genoemd.

In ‘Filosofie van de vrijheid’ stelt Steiner dat we het metafysische pas kennen door directe waarneming van de gedachten, zodat van objectieve waarneming kan worden gesproken. Die objectieve waarneming doet men volgens Steiner niet zoals men dat in de filosofie heeft begrepen, namelijk via de rede, maar wel door de intuïtie. Om wetenschappelijke onderzoeksresultaten op te baseren een hoogst dubieuze, maar vooral subjectieve methode, omdat iedereen eigenlijk kan zeggen dat hij iets ‘objectief’ heeft gezien. Het kan toch niet worden geverifieerd. Voorbeelden zullen gaandeweg in dit schotschrift de revue passeren.

‘Filosofie van de vrijheid’ is zo weinigzeggend dat het zelfs niet wordt vermeld in filosofische naslagwerken van betekenis. Volgens een citaat in het antroposofisch tijdschrift ‘De Brug’ zou Steiners dissertatie, die als uitgangspunt voor Filosofie van de vrijheid heeft gediend, niet zo overtuigend en nieuw zijn overgekomen als hijzelf meende. In hetzelfde artikel kunnen we lezen dat Steiner een loopbaan als academicus, meer bepaald als professor, ambieerde, maar daar niet voor in aanmerking kwam, omdat hij voor het behalen van zijn doctorstitel niet de gangbare weg had gevolgd. Steiner was namelijk nooit afgestudeerd aan een universiteit, noch aan een hogeschool. Dit verklaart misschien waarom Steiner helemaal naar het noorden van Duitsland reisde om alsnog een academische graad te behalen bij een professor waarvoor hij naar eigen zeggen heel veel sympathie koesterde.

5.1. Imaginatie

‘Herr Doktor’ zoals zijn bewonderaars hem noemden, werd geen academicus, maar ‘bombardeerde’ zichzelf tot helderziende en sloot zich in 1902 aan bij een occult genootschap, waar hij al snel een hoge graad bekleedde. Helmut Zander, een Duitse hoogleraar die een omvattende historisch-kritische studie over de antroposofische beweging publiceerde, stelt vast dat Steiner in deze periode ‘student werd in de esoterische school van de theosofe Annie Besant en al in 1904 leider werd van de Duitse sectie van de Theosofische Vereniging. Daarmee steeg hij in zijn schoolkring op tot vereerde leraar en ‘Meester’. Hier behandelde Steiner brieven, gesprekken en voordrachten over theosofische principes en gaf aanwijzingen over meditatieve scholing. Maar vaak was de esoterische school meer, namelijk therapeutische levensbegeleiding.’[32] We kunnen hier al een eerste indicatie zien van Steiners drang om via scholing te genezen, een gegeven dat als een onzichtbare draad doorheen heel de antroposofische pedagogie is verweven.

In de periode dat Steiner voorzitter van de Theosofische Vereniging was, gaf hij sporadisch enkele voordrachten over pedagogie en in 1907 verscheen het enige door hemzelf geschreven werk over opvoeding, een essay met als titel ‘Die Erziehung des Kindes vom Gesichtspunkte der Geisteswissenschaft’. (In de Nederlandse vertaling heeft men het woord geesteswetenschap vervangen door antroposofie).[33] Het werkje geldt nog altijd als de basistekst van de steinerpedagogie. Men kan zien dat Steiner in dit essay de theosofische antropologie (wezensdelen) schetste, deze liet corresponderen met zijn visie op de ontwikkelingsfasen van het kind en de grondslag legde voor op esoterie berustende autoriteit. Dat hij al in deze periode naar de grondlegging van een nieuwe pedagogie werkte, blijkt volgens Zander uit niets. ‘Pas in de confrontatie met de pedagogische realiteit in het eerste schooljaar van de Stuttgartse steinerschool vond Steiner, en maar vlug en al doende lerend, de concepten die heden het beeld van de steinerpedagogie dragen’.

Steiner was vooral bezig met het oprichten van een esoterische school op maat van zijn bovenzinnelijke waarnemingen.

Het duurde echter nog tot 1913 vooraleer hij, samen met zijn eigen aanhang, de Antroposofische Vereniging oprichtte. Zijn antroposofie omschreef hij op allerlei manieren, zodat het moeilijk is antroposofie te definiëren. In ‘Filosofie en antroposofie’ beschreef hij zijn geesteskind als volgt:

‘… Onder antroposofie versta ik een wetenschappelijk onderzoek van de geestelijke wereld dat de eenzijdigheden van louter natuurwetenschap, net zoals die van de gewone mystiek doorziet en die, voor ze verzoekt door te dringen in de bovenzinnelijke wereld, eerst in de erkennende ziel de in het gewone bewustzijn en in de gewone wetenschap nog niet werkzame krachten ontwikkelt die zo’n doordringen mogelijk maken…’ [34]

Dr. Steiner was niet bepaald iemand die uitblonk in bondigheid en duidelijkheid. Laat ons aannemen dat antroposofie een wereldbeschouwing is die ervan uitgaat dat de mens drieledig is, in die zin dat hij bestaat uit lichaam, ziel en geest. Dat is ongeveer de key-issue van de antroposofie waarrond Steiner zijn hele gedachteconstructie heeft opgebouwd. Waar zijn beschouwing op is gebaseerd, vertelt ons een bekend antroposofisch spreekster:

‘…Een belangrijke imaginatie heeft Rudolf Steiner ontwikkeld in de vorm van het beeld van de drieledige mens: de mens die met een zenuwzintuigstelsel, een ademhalingsstelsel en een stofwisselingsgebied het belangrijkste middelpunt voor het denken in het hoofd heeft, voor het voelen in het “ritmische” middengebied en voor het willen in de onderpool van het stofwisselingsstelsel. Aan dit beeld geeft hij zowel een fysiologische als een psychologische grondslag, die het uitgangspunt vormen voor een geheel nieuwe, intussen in talrijke scholen gepraktizeerde pedagogie…’ [35]

Als dat het uitgangspunt van het onderwijs is, moet dat inderdaad een belangrijke ‘imaginatie’ zijn geweest. Maar dat het denken, voelen en willen overeenkomen met geest, ziel en lichaam was zeker niet de enige imaginatie van Rudolf Steiner. We zien daar ook nog eens zenuwzintuig-, ademhalingsstelsel en stofwisselingsgebied aan worden gekoppeld, wat erop lijkt te wijzen dat de mens op vele gebieden te herleiden is tot ‘iets dat bestaat uit drie’. De man was heel creatief met het cijfer drie, maar zoals we nog gaan zien, ook met de vier en de zeven, en vol verbeelding.

Steiner beweerde allerlei te zien wat met het gewone oog niet waar te nemen is. (Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet?). Waaruit bestonden zijn ‘imaginaties’ dan zoal? Bij nader inzicht blijken die een breed spectrum te beslaan en niet zelden hebben ze veel weg van de beschrijvingen van iemand die geëxperimenteerd heeft met het eten van bepaalde zwamachtigen. Wat Steiner zoal aan ‘realiteiten’ waarnam, was niet gering: duistere machten of demonen die zich, wanneer moeder de vrouw niet vaak genoeg het stof afneemt, in huis nestelen; kabouters die (de Zeven Dwergen?) in de diepten van de aarde in diamantmijnen werken[36]; elfen en gnomen; de uit Perzische overleveringen afkomstige kwade geest Ahriman, de lelijke duivel die zich bedient van het schrift om de mens in zijn macht te krijgen[37]; zijn alter ego Lucifer, de knappe verleidelijke duivel; als tegengewicht ook engelen, aartsengelen en nog enkele toonladders hogere engelen; het zonnewezen Christus dat van de ene Jezus op de andere overging (want er waren er volgens Steiner twee); het mythologische verzonken continent Atlantis en zijn aan de zondvloed ontsnapte Ariërs, de meest ontwikkelde soort op aarde die onze huidige cultuur bepaalt[38]; het blanke of Arische ras, dat alleen maar voordelen heeft ten opzichte van andere rassen[39]; de van de mens afkomstige aap; probleemkinderen waarvan de oorzaak van hun probleem in een rekenfout in de kosmos moet worden gezocht [40] en de ridders van Koning Arthur die Steiner begin 20ste eeuw te paard op de heuvels van Groot-Brittannië zag galopperen, zijn maar enkele van zijn denkbeelden. De ziener toverde er nog talloze andere uit zijn hoge hoed.

Wie nu denkt of meent te beweren dat deze imaginaties misschien door de beste man bedoeld zijn als beeldspraak, komt van een kale kermis thuis. Hij nam deze zaken niet alleen voor waar, maar beweerde ook het over realiteiten te hebben. Voorbeelden waarbij hij engelen, geesten, gnomen, enz. als realiteiten aanduidde, zijn te vinden in meerdere van zijn publicaties. Bekende door Steiner vaak aangehaalde uitspraken wanneer hij het over zijn bovenzinnelijke waarnemingen en imaginaties had, zijn onder andere: ‘dit zijn gewoon feiten’, ‘dit zijn wetmatigheden’ en ‘het is nu eenmaal een waarheid’.

5.2. Driewerf hoera

Een andere bovenzinnelijke waarneming van Steiner, en volgens het citaat hierboven van Edith Boeke het uitgangspunt van het onderwijs, was zoals gezegd de drieledige indeling van de mens naar lichaam, ziel en geest. Minder opzienbarend, omdat deze drieledige indeling al een lange traditie kent en ook binnen de academische wereld bekend is door de bestudering van de Oude Grieken.

Plato, waar Steiner een en ander zonder bronvermelding aan zou hebben ontleend, sprak al van geest, ziel en lichaam. De Griekse filosoof verbindt deze drie wezensdelen met het denken (hoofd), het voelen (borst) en het begeren (onderlijf). De gelijkenis is op zijn minst frappant te noemen. Het lijkt alsof Plato de grondslag van de steinerpedagogie al in de vijfde eeuw voor Christus paraat had. Ook bij hem geldt dat ‘de onsterfelijke ziel één is met de wereldziel en dat al onze kennis wederherinnering is uit de oorspronkelijke staat’.[41] Dit is min of meer Steiners reïncarnatiegedachte zoals toegepast in de pedagogie: kennis is herinnering uit een vorig leven (vorige dag of periode). Verder weet Plato ons in zijn Meno nog te vertellen dat ‘omdat de ziel onsterfelijk is en vele malen geboren is en zij alle dingen die hier en in de benedenwereld zijn, heeft gezien, er niets is wat zij niet ervaren heeft en het is daarom niet te verwonderen dat zij in staat is zich de deugd en al het andere te herinneren, wat zij toch vroeger reeds geweten heeft’. De verklaring voor de ongekende talenten die Steiners volgelingen hem toeschrijven? Alles ervaren en alles geweten?

Nu goed, Steiner heeft het net zoals het godenaanbiddende Griekse voorgeslacht over de drieledigheid. Hij beschrijft een geestelijke wereld van waaruit geesten zich incarneren in een fysiek lichaam. De ziel speelt hierin een cruciale rol als bemiddelaar tussen lichaam en geest. Door de ziel namelijk, die ervaringen opdoet, krijgt de menselijke geest de mogelijkheid om een oordeel over die ervaringen te vormen en zich te verruimen, waardoor een opklimmen in de hiërarchie van de geestelijke wereld mogelijk wordt. Het fysieke lichaam is louter een voertuig of drager van ziel en geest, hoewel volgens Steiner dit lichaam het oudste lid van de constructie is, want miljoenen jaren geleden gevormd toen de mens nog op Saturnus vertoefde (waarover later meer). De Steiner die eerst nog een academische loopbaan tussen nuchtere wetenschappers ambieerde, gooide het hier duidelijk over een andere boeg.

Op het moment dat Steiner lid werd van de Theosofische Vereniging ging hij pas echt de esoterische toer op, wat niet alleen te maken had met het uitblijven van een academische loopbaan. Zijn opdracht bij het Goethe-archief, waar hij van 1890 tot 1897 werkte als redacteur van Goethes wetenschappelijke werken, liep ook af. Een benoeming als vaste medewerker die in het vooruitzicht lag, zat er niet meer in. Na zijn werk bij het Goethe-archief ging hij als redacteur voor een literair tijdschrift werken. Intussen had Steiner met behulp van zijn promotor, de sympathieke professor Von Stein, wel een doctorstitel in de filosofie behaald. Vervolgens kwam hij in contact met de Theosofische Vereniging, waar zijn ideeën gretige afname vonden. Dat hij nu alle imaginaire remmen mocht losgooien, blijkt al uit de toename van het aantal door hem gegeven voordrachten. De Steiner die het in de jaren daarvoor met een of twee voordrachten per maand moest stellen, begon binnen de kortste keren enkele voordrachten per week en jaren later zelfs meerdere per dag te geven. Het was in deze periode dat hij een van zijn belangrijkste basiswerken, Theosofie, publiceerde.[42] Hierin schetste Steiner de verschillende wezensdelen van de mens zoals hij die waarnam. Welke wezensdelen zag Steiner en hoe werken die volgens hem? Ik doe een poging om dat in hedendaagse taal uit te leggen. De driegeleding lichaam/ziel/geest neemt er vanzelfsprekend een bevoorrechte plaats in.

Volgens Steiner doet de mens met zijn lichaam waarnemingen zondermeer. Er wordt iets gezien en dat is een feit. Met zijn ziel betrekt de mens de dingen op zichzelf. Een bloem is niet langer al­leen maar een bloem. Neen, die bloem wordt voor de ziel bijvoorbeeld een hele mooie bloem, die nog lekker ruikt ook. De ziel maakt een onderscheid tussen wat zij belangrijk vindt en wat niet. (Wat vind ik aangenaam en wat niet?). Met de geest verwerft de mens dan weer inzichten in het wereldgebeuren. De geest draagt het inzicht in zich dat de waarneming van het lichaam en het gevoel dat de ziel hieraan verleent, universeel aanwezig zijn. In het geval van de bloem be­schouwt de geest haar wetmatigheden en het gevoel dat de bloem opwekt, maar betrekt ze niet op elkaar.

Steiner hield het echter niet bij de magische drie (daar zijn ze weer), maar bouwde die drie uit tot negen (of drie maal drie) wezensdelen. Zo bestaat het lichaam niet alleen uit een voor het oog zichtbaar stoffelijk lichaam, maar ook nog uit levens- en zielenlichaam, beide fysiek onzichtbaar. In oplopende mate van verfijning bestaat de ziel uit gewaarwording -, verstand –en bewustzijnziel. De geest valt onder te verdelen in geestzelf, levensgeest en geestmens. Alsof dat nog niet genoeg is, liet Steiner van deze negen wezensdelen er twee paar samensmelten, zodat er nog zeven wezensdelen overblijven. Die zeven werden dan weer vier, maar wel de binnen de antroposofie bekendste wezensdelen: ik-, astraal-, ether- en fysiek lichaam. Over toveren met cijfers gesproken. Steiner, de grote magiër, kon er wat van.

En met hem menen tal van antroposofen in zowat alles de driegeleding van lichaam, ziel en geest te herkennen: gelijkheid, broederlijkheid en vrijheid; economisch – , rechts- en geestesleven; ledematen, romp en hoofd; willen, voelen en denken; Ahriman, Christus en Lucifer; Vader, Zoon en Heilige Geest. Het zijn slechts enkele voorbeelden van associaties die binnen de antroposofie maar al te graag worden gemaakt. Imelman gaf het spelen met deze ‘magische’ of ‘heilige’ cijfers heel beeldend weer.

‘…Steiner is als de marskramer uit vroeger tijden, toen de wereld weliswaar ook haar bedreigingen kende – maar desalniettemin overzichtelijk was. Zijn mars bevat een groot aantal, overigens in vorm en kwaliteit weinig verschillende, stramienen. Dat zijn voor zijn klanten uiterst aantrekkelijke gelijkzijdige pyramidetjes in allerlei grootte, aan elkaar te rijgen met kleurige Jugenstilguirlandes. Als je het goed doet, dan blijken deze rijgwerkjes te passen in een, ook in de mars aanwezige, van binnen met pluche gevoerd, en in drieën uit elkaar te nemen glimmend gepolijste bal. Als je maar voldoende keren met drie vermenigvuldigt of optelt, schep je vanzelf je eigen harmonie, je eigen ronde kosmos.

De mogelijkheden van dit spel zijn beperkt. De Grote Marskramer zelf bepaalde in het bij te leveren stramienboekje wat wel en niet volgens de regels is. Zo zul je bij het rijgen steeds moeten blijven binnen het zogenaamde mono-stramien: alles is in de geest en als zodanig één. Wat gesplitst lijkt (ik en de wereld bijvoorbeeld) berust op een truc van het Al-ene en is alleen door de spelers van het stramienen-spel als truc te herkennen en te ontmaskeren.

In feite berust de foef van de auteur van dit spel op het universeel en absoluut toepassen van een aantal aan Plato en enkele obscure en occulte bronnen van wijsheden ontleende begrippen…’ [43]

 5.3. Karma en reïncarnatie

Twee sleutelbegrippen uit Steiners antroposofie die deel uitmaken van de steinerpedagogie zijn karma en reïncarnatie. Tijdens opeenvolgende levens, reïncarnaties, bouwt de mens karma op. Dit is te omschrijven als de som van alle handelingen die de mens tijdens zijn leven(s) heeft verricht. Naargelang men veel goede of slechte handelingen (daar hoort ook denken bij) heeft verricht, kan de som positief of negatief zijn. Er wordt dan gezegd: iemand is ‘karmisch beladen’. Hoe meer iemand bij het overlijden beladen is, hoe langer de reis naar de geestelijke wereld duurt. Er dient door een gestorvene een louteringsproces te worden doorgemaakt waarvan de duur afhankelijk is van het karma. Na een verblijf in de geestelijke wereld kan een geest terug naar de aarde afdalen om te worden herboren (reïncarneren).

De reïncarnatiegedachte is herkenbaar in het begrip dat de leraar het kind meeneemt in de nacht (analogie tussen slapen en sterven). In de nacht, tijdens het verblijf in de geestelijke wereld, wordt de nodige inspiratie opgedaan om de volgende dag ‘als herboren’ te beginnen (analogie tussen ontwaken en geboren worden). Er wordt van uitgegaan dat kinderen die geboren worden vooraf bepaalde ouders hebben uitgekozen, zodat ze tijdens hun leven noodzakelijke lessen kunnen leren voor hun spirituele ontwikkeling. Hieruit zou men gemakkelijk kunnen afleiden dat dit ‘ze hebben ervoor gekozen’ in antroposofische kring ook wordt gezegd van kinderen die gehandicapt zijn. De mens is nu eenmaal een raadsel dat door de opvoeder dient te worden ontsluierd.

Een stoornis bij de mens wordt in antroposofische context vaak toegeschreven aan een niet volledig geslaagde incarnatie. In geval van een fysieke handicap heeft de geest het op zich genomen om zich te verbinden met een beperkt lichaam, waardoor niet alleen de incarnatie bemoeilijkt of gedeeltelijk verhinderd wordt, maar het beperkte lichaam het de geest ook moeilijk of onmogelijk maakt om zich te uiten. De opvoeder heeft de opdracht om deze geest, ondanks het onvolmaakte lichaam waarin hij huist, kansen aan te reiken om zich te kunnen manifesteren. Een mentale handicap hoeft niet direct te worden geïnterpreteerd als het gevolg van een lichamelijke afwijking, maar kan worden gezien als een uitdaging voor de geest om zich alsnog ten volle met het lichaam te verbinden. Wie weet gebeurt er een wonder?

Enerzijds kan dit opvoeders stimuleren om het onderste uit de kan te halen, omdat geen enkele situatie hopeloos is. Anderzijds, en dat gebeurt frequent, kan dit ‘ze hebben er zelf voor gekozen’ gemakkelijk vervangen worden door: ‘Het is hun eigen schuld’. Dan komen we terecht in de sfeer van schuld en boetedoening, alom bekend binnen tal van religieuze bewegingen. Wat zei menig dorpspastoor vroeger ook alweer tegen vrouwen die het ongeluk hadden met een bruut te zijn getrouwd? ‘Het is je lot. Draag het waardig. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.’

In de antroposofie, die zich heeft losgemaakt van de theosofie en de keuze voor een bepaalde incarnatie en bijhorende levensloop in de handen van het ik of de individuele geest legt, gaat dit nog een stapje verder. Want: je hebt er zelf voor gekozen. Een vooraanstaand Nederlands antroposoof, de door reïncarnatie gepassioneerde arts-filosoof Hugo Verbrugh, heeft ooit in een interview geschetst waar zelf voor gekozen op neer komt.

‘…Wij hebben bijvoorbeeld in de antroposofie de dakpan-oefening. Dat betekent dat je eigenlijk alles wat je overkomt, toeschrijft als iets wat je zelf gewild hebt. Als ik in het gefingeerde voorbeeld op straat loop en een dakpan op mijn hoofd krijg, dan moet ik me eigenlijk proberen voor te stellen, dat ik een paar ogenblikken eerder dat dak opgeklauterd ben en die dakpan losgewrikt heb en nét op mijn eigen hoofd heb laten komen. Dus het idee dat je, zonder enig voorbehoud, verantwoordelijk bent voor alles wat je doet én wat je overkomt. Dat gaat natuurlijk vrij ver…’ [44]

Even daarvoor liet Verbrugh in hetzelfde artikel zien hoe ver dat gaat door criticus Jeurissen aan te halen. En wat die laat horen, is op zijn minst schokkend te noemen.

‘… Mw. Jeurissen antwoordt dat zij ‘een antroposofische ouder’ gevraagd heeft wat de karmische noodzaak [kan] geweest zijn dat er tijdens de holocaust levende babies in de oven werden gegooid:

‘En die mevrouw, die antwoordde met zeggen “Nou het kan zijn dat door de schok zo’n ziel dan zal kiezen voor het Licht” – en “het Licht” dan wel met hoofdletters…’

In het licht van Steiners stelling ‘dat het Jodendom geen reden van bestaan in het moderne leven meer heeft’, krijgen dergelijke uitlatingen een nog wrangere nasmaak dan wanneer ze op zichzelf zouden staan. Is het ook hierdoor dat de steinerschool heel spaarzaam is in het aan buitenstaanders en ouders van kandidaat-leerlingen verstrekken van informatie over de achterliggende reïncarnatie- en karmagedachte?

Niet dat iedere ouder die van plan is om zijn kind in te schrijven een uitputtende beschrijving moet krijgen van de filosofische achtergronden van de school. Maar gezien de rol die de reïncarnatiegedachte in de steinerpedagogie speelt, is het aangewezen dat ouders toch op zijn minst, maar wel expliciet, op de hoogte worden gebracht dat de reïncarnatiegedachte (en niet alleen dat) tot de grondbeginselen hoort van de antroposofie, het fundament waarop de steinerschool probeert te bouwen. Als men dan merkt dat in een kennismakingsbrochure[45] uitgegeven door de Federatie van Steinerscholen met geen woord over karma of reïncarnatie wordt gerept, maar diezelfde federatie op haar website wel in een van haar visieteksten zegt dat ‘in de mensvisie die aan de steinerpedagogie ten grondslag ligt, het ‘ik’ van de mens wordt erkend als een geestelijke realiteit en dat dit ‘ik’ gedurende de hele levensloop een autonome (f)actor is bij de menselijke ontwikkeling, lijkt het er sterk op dat men gewoon schuilevinkje speelt.

We hebben al gezien wat met het ‘ik’ wordt bedoeld: de geestelijke kern van de mens die zich doorheen meerdere incarnaties manifesteert. Steiner zegt daarover in ‘Opvoeding van het kind’[46]:

‘…Dit ‘ik-lichaam’ is de drager van de hogere mensenziel; hierdoor is de mens de kroon van de aardse schepping. Het ‘ik’ is echter in de tegenwoordige mens geenszins eenvoudig naar zijn aard en wezen… Bij de mens, die innerlijk uitgegroeid is boven de toestand, waarin hij door de uiterlijke natuur geplaatst was, zijn dus de lagere delen van zijn natuur onder invloed van het ‘ik’ min of meer omgewerkt… Terwijl de mens van deze onderste ontwikkelingstrap in de loop van opeenvolgende levens of incarnaties opstijgt tot steeds hogere trappen van ontwikkeling, werkt het ‘ik’ gaandeweg op de drie andere ‘lichamen’ in, zodat deze veranderd worden…’

En wat bedoelt men vanuit de antroposofische visie met levensloop? Toch een aaneenschakeling van meerdere levens. In ‘Onderwijs als kunst, grondbeginselen en methoden van de Vrije Scholen’,[47] een boek dat wordt aanbevolen aan studenten pedagogie, onderwijzers en ouders, wordt in duidelijke bewoordingen uitgelegd hoe de antroposofische reïncarnatiegedachte methodisch-didactisch wordt ingezet in de steinerschool.

We kunnen er lezen dat het proces van het ademhalingsritme, de in- en uitademing, wordt gezien als een proces waarin de ‘kosmische’ afstamming tot uitdrukking komt. Inademen is zo te vergelijken met het proces van incarneren of geboren worden (waken), uitademen met het proces van excarneren of sterven (slapen). Met iedere inademing verbindt het geestelijk-psychische zich sterker met het fysieke lichaam, met iedere uitademing gebeurt het omgekeerde. Deze analogie is ook te herkennen in het eerder aangehaalde stuk ‘rol van de nacht’. Daar heet het dat er tijdens de slaap een ontmoeting tussen leraar en leerling plaatsvindt en dat vanuit de geestelijke wereld onzichtbare draden worden gespannen. In de steinerschool hangt het lot van een kind aan een zijden draadje?

5.4. Alle heiligen nog aan toe

Nog een belangrijk aspect in Steiners wereldbeschouwing, zo niet het belangrijkste: Christus, Onze-Lieve-Heer. Volgens Steiner is de kruisiging van Jezus (het Mysterie van Golgotha), de centrale gebeurtenis in de mensheidsgeschiedenis. Door Jezus’ kruisdood zou het hoge geestelijke wezen Christus zich met het karma van de aarde en dat van haar bewoners hebben verbonden, waardoor de mensheid de mogelijkheid kreeg om de strijd aan te gaan met de tegenmachten. In antroposofisch jargon noemt men die enerzijds Lucifer, de geest die de mens via illusionaire voorstellingen van de aarde wil losmaken en anderzijds Ahriman, die de mens aan de aarde wil ketenen door de macht van het intellect. Deze zienswijze heeft ertoe geleid dat binnen de antroposofische beweging wetenschap vaak met Ahriman wordt geassocieerd.

Ahriman, die zijn oorsprong vindt in de dualiteit van goed en kwaad in de leer van de voorchristelijke profeet Zarathustra, zou momenteel de grootste tegenstander van Christus zijn. Gelukkig staan in de strijd tegen het kwaad de hemelse hiërarchieën klaar, met in de frontlinie de aartsengel Michaël om de aanvallen af te slaan. Want het kan in hemelse regionen hevig aan toe gaan. Buiten Michaël staat God de Vader een groot leger engelen ter beschikking, die Steiner vanzelfsprekend bij naam en toenaam kende. Hij deelde hen in drie groepen van drie soorten engelen in. De hoogste rang bestaat uit Thronen, Cherubim en Seraphim. Dan volgen Elohim, Kyriotetes en Dynameis. De dichtst bij de mens staande zijn dan Archai, Aartsengel en Engel. Steiner beschrijft tot in de details hoe deze engelenscharen werken en hoe ze de mens ten dienste staan. Niet onbelangrijk om weten, want in de strijd tegen Ahriman, die via het onderwijs de geest van de mens wil knechten, spelen de engelen een voorname rol. In de opvoeding met engelen werken, kan al op heel bescheiden wijze. Met eenvoudige kinderliedjes introduceert men bijvoorbeeld de beschermengel:

‘Engel van mij, blijf steeds bij mij,

Dag en nacht, vroeg en laat,

Tot gij met mij naar de hemel toe gaat

Engel van mij, blijf steeds bij mij’ [48]

Als zoethoudertje voor wanneer de allerkleinsten angstig zijn, kan de gedachte dat de beschermengel waakt misschien wel een gunstig effect hebben. Blijkbaar zijn sommige volwassen mensen ook wel gerust te stellen met de wijsheid dat ze bij hogere geestelijke wezens op een goed blaadje staan. En hoe leuk moet het wel niet zijn om uitverkoren te zijn?  Het overkomt niet alleen Mormonen of Jehova’s Getuigen, maar ook antroposofen. Steiner trakteerde zijn volgelingen op een vooraanstaande plaats in het wereldgebeuren door hen deelgenoot te maken van zijn visie op het hoge zonnewezen Christus, dat volgens hem zou terugkeren in een etherisch lichaam.

‘…Valse Christussen zullen opstaan in deze tijd waarin de mensheid de ware Christus in zijn etherische lichaam zou moeten zien. Van antroposofen mag echter worden verwacht dat zij onderscheid kunnen maken tussen geest en materie, dat zij gewapend zijn tegen alle beweringen, waar die ook vandaan komen, dat Christus in den vleze zal komen. Het is aan de antroposofen om in te zien dat dit materialisme is, en dat het de ergste verleiding is die kan optreden bij wat een van de belangrijkste gebeurtenissen in de ontwikkeling van de mensheid is: de gebeurtenis die wij de wederkomst van Christus noemen en waarbij moet blijken of de mensen al zover zijn dat ze niet alleen over de geest spreken, maar in de praktijk het wezen van de geest als iets hogers kunnen ervaren dan het wezen van de materie…’ [49]

Van belang is het hier door Steiner gemaakte onderscheid tussen enerzijds antroposofen als veronderstelde wetenden en anderzijds de mensen. Het is bij de mensen de vraag of die zover zullen zijn dat ze (ook) het onderscheid tussen geest en materie zullen kunnen maken. In verband met antroposofen speelt die vraag niet, anders zou in de plaats van de mensen wel we hebben gestaan. Vrij geïnterpreteerd betekent dit eigenlijk: ‘Wij antroposofen hebben een voortrekkersrol, want wij zien wat waar is en het is afwachten of de anderen, de mensen, dat ook zullen zien. Wij zien de ware Christus’.

Steiners christologie komt tot uitdrukking in de christelijke feesten die in de steinerschool worden gevierd: Sint Jan, Sint Michaël, Sint Maarten, Sint Nicolaas, enz. Het al dan niet christelijk zijn van de steinerschool is altijd een discussiepunt geweest. Hoewel alles erop wijst dat ze christelijk is en dat ook door een aantal autoriteiten binnen de beweging zo wordt uitgedragen, wil ze zich niet als confessioneel bekennen. Dat label wijst ze resoluut af. Onderwijsdeskundigen stellen zich bij deze ambivalente houding geregeld vragen.

‘…De Steinerschool is volgens de aanhangers van de antroposofische filosofie een christelijke school, niet in de confessionele zin van het woord, maar naar de inhoud. Dat wil zeggen dat er in de Steinerschool een streven is naar verdieping, naar innerlijke bezinning, naar een streven naar het hogere, naar respect en begrip voor de wil van de ander. Een volwassene is in niet-confessionele zin (volgens de voorstanders van het Steineronderwijs) christelijk wanneer hij vanuit eigen innerlijke overtuiging en inzicht tracht menselijke deugden in zich tot ontwikkeling te brengen.

‘…Kinderen voedt men in dezelfde niet-confessionele zin op wanneer men de kinderen hoger vernoemde waarden laat beleven. Dit kan men doen door hen een zinvol gestructureerd levensritme aan te bieden, zowel thuis als op school, het vieren van jaarfeesten (kosmisch ritme) en door het vertellen van verhalen, sprookjes, biografieën en sagen. Dit alles is belangrijk voor de innerlijke kracht van het kind, waaruit geleidelijk aan het volle bewustzijn ontstaat van de individuele verschillen tussen mensen en het wederzijds begrip voor elkaar, waardoor samenleven pas mogelijk wordt. Dit is de christelijke adem die doorheen heel het onderwijs waait en in het bijzonder in het vrij christelijk uur speciale aandacht krijgt. Daarnaast is het mogelijk dat om het even welke godsdienst aan bod komt in een Steinerschool, wanneer de ouders dit wensen en als er een leraar gevonden wordt…’[50]

Is dit citaat uit een schoolbrochure van een Rudolf Steinerschool geen sprekend voorbeeld van een indoctrinaire tekst? O.i. wordt in deze tekst bewust aan begripsverwarring gedaan om alle eventueel geïnteresseerde kandidaten voor de school de indruk te geven dat de Steinerschool een vrije school is, d.w.z. een school waar iedereen, met welke godsdienstige overtuiging dan ook, op levensbeschouwelijk gebied aan zijn trekken komt. Niets is echter minder waar! De Rudolf Steinerpedagogiek, die volledig bepaald wordt door de antroposofie of de leer van Rudolf Steiner, is een normatieve pedagogie met een sterk evocatief karakter. Vooral de ideeën van Steiner omtrent reïncarnatie, kosmologie, natuur-geestverhouding (bvb. in verband met het ik-lichaam, het fysieke lichaam, het ether lichaam, het astrale lichaam), de ontogenese als recapitulatie van de fylogenese, enz. getuigen van een verouderd en archaïsch mens- en wereldbeeld en nopen ons tot enig voorbehoud bij dit antroposofisch gekleurd project…’ [51]

De auteur van dit stuk beweert niet alleen dat de steinerpedagogie een normenpedagogie is met een sterk suggestief beeldvormend karakter, hij komt ook tot de bevinding dat in de schoolbrochure bewust aan begripsverwarring wordt gedaan. Het woord misleiding neemt hij echter niet in de mond, al ligt het niet veraf.



[32] H. Zander, Anthroposophie in Deutschland, Vandenhoek & Ruprecht 2007

[33] R. Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie, Vrij Geestesleven 1992

[34] R. Steiner, Philosophie und Anthroposophie,  Rudolf Steiner Verlag 1984

[35] E. Boeke e.a., Antroposofie ter discussie, Vrije Geestesleven 1985, p.67

[36] R. Steiner, Natuurwezens – de wereld van vuurwezens, elfen, nimfen en gnomen, Vrij Geestesleven 1990

[37] H. P. van Manen, Wanneer verwachtte Rudolf Steiner de incarnatie van Ahriman?, Perun2007

[38] R. Steiner, Aus der Akasha Chronik,  Rudolf Steiner Verlag 1986

[39] R.Steiner, Die Mission Einzelner Volksseelen im Zusammenhange mit der germanisch-nordischen Mythologie, Philosophisch-Anthroposophischer Verlag 1922

[40] Rudolf Steiner: Konferenzen mit den Lehrern der Freien Waldorfschule in Stuttgart 1919-1924, GA 300

[41] H. J. Störig, Geschiedenis van de filosofie, Aula 1986

[42] R. Steiner, Theosofie, Boekerij ‘De Komende Dag’ 1912

[43] J.D. Imelman & P.B.H. van Hoek, Hoe vrij is de Vrije school – een analyse van de antroposofische pedagogiek, Intro 1983

[44] H. Verbrugh, Misverstanden rond een dakpan, Skepter 03/1997, jaargang 10

[45] Met hart en ziel naar de Rudolf Steinerschool, Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen

[46] R. Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie – een essay uit 1907, Vrij geestesleven 1992

[47] D. Crum, Onderwijs als kunst – Grondbeginselen en methoden van de Vrije scholen, Wolters-Noordhoff 1983

[48] B. Gradenwitz & P. Rosenberg, De gouden poort – liedjes voor kleuters en peuters, Christofoor 2004

[49] R.  Steiner, Het esoterische christendom, Vrij Geestesleven 1999

[50] Uit de schoolbrochure van steinerschool Lohangrin Wilrijk

[51] R. Boonen, Irina, Jos, Ali en Mies – Interculturaliteit in maatschappij en school, Garant 2003

Comments are closed.