Karrekesvolk en ander gepeupel (12) – De Zandberg

marie brabants sooi van beeck

‘Grotemoe’ Marie Brabants

De vele kermissen tijdens een kermisseizoen sluiten niet altijd naadloos op mekaar aan. Soms gebeurde het dat we tussen twee kermissen een week stil lagen. We spreken over de periode dat het gros van de voyageurs nog geen eigen grond had om in een rustperiode of in de winter met de barakken en woonwagens te staan. Een voyageur in een huis werd aanzien als een kaffer. Wie wat geld had, kocht een stuk grond, zette er een hangar op en overwinterde in zijn woonwagen in die hangar. Wij hadden dat geld niet, trokken in de winter naar Spanje of moesten als we een week geen kermis hadden ergens een plaats zoeken om ons materieel kwijt te geraken.

Zo stonden we regelmatig aan de Zandberg, een kleine groene oase tussen de huizen, gelegen aan de Bergstraat in ’t Kamp. Dat wij daar terechtkwamen, was niet zo vreemd. Zowel ‘grotemoe’ Marieke Brabants, die nog de kermissen had gedaan met een frituur waarin de friteuse nog werd warm gestookt met een kolenvuur, als haar schoonzoon en dochter, ‘vake’ en ‘moeke’, die draaimolens produceerden en verkochten aan forains (maar ook aan pretparken), woonden aan die Zandberg en zorgden er min of meer voor dat onze aanwezigheid er getolereerd werd. Grotemoe was overigens niet alleen mijn betovergrootmoeder, maar ook de grotemoe van het grootste gezin onder de forains: de Severeynsen.

Naast de Zandberg woonde een grote familie die ons voorzag van elektriciteit en water. Hun kinderen waren geen van allen grote lichten. De oudste sliep bijvoorbeeld op zijn achttiende nog in een indianententje. Met zijn meter negentig moest hij zich oprollen om te voorkomen dat zijn voeten vanonder de tent uitstaken. Vredig als een kind lag hij daar dan, wat de zware donkere snor die zijn bovenlip bedekte een nog vreemdere aanblik gaf. Kwaad zat erbij Hugo niet in, maar zijn onbesuisdheid kon voor levensgevaarlijke situaties zorgen.

Omdat nonkel Jean en tante Maria het beu waren dat ik en onze Jef onze luchtbuksen voortdurend uitprobeerden op de boodschappen van de klanten van de kruidenier in de buurt, hadden ze ons van huis weggejaagd. Die buksen hadden we in een van de vele wapenwinkels in ’t Kamp gekocht. We waren nog te jong om die te kopen, maar zolang je geld had en het wapens waren waarvoor geen registratie nodig was, knepen de handelaars een oogje toe. Professionele katapulten, ploertendoders, luchtbuksen, matrakken, boksijzers, jachtmessen en stiletto’s, noem maar op. Als je geld op de toonbank legde, kon je ze als twaalfjarige meenemen.

Bovenop de Zandberg zetten we een schietschijf en begonnen we te oefenen. Het was een plezier vanjewelste en zelfs de Turken uit de buurt waarmee we voortdurend ruzie hadden, lieten ons veiligheidshalve met rust. Waarschijnlijk beseften ze dat we bij wijze van grap wel enkele loodjes in hun richting zouden hebben gestuurd. Toen hoorden we achter ons de stem van Hugo: ‘Mag ik ook eens schieten?’ We keken om en zagen zijn hoofd over de schutting steken. ‘Nee, Hugo, dat is te gevaarlijk.’ We stonden niet stil bij het feit dat deze simpele jongen het concept ‘gevaar’ niet begreep. We dachten dat Hugo het wel had begrepen.

Ons gedacht veranderde heel snel toen we een enorme knal hoorden die ons instinctief op de grond deed duiken. Dan nog een knal. We zagen de kartonnen schietschijf in stukken uiteen vliegen. We keken achter ons en Hugo hing over de betonnen schutting. Hij was het jachtgeweer van zijn vader aan het herladen. ‘En nu lopen’, riep hij. We krabbelden recht, raapten onze luchtbuksen op en terwijl we begonnen te rennen, hoorden we het jachtgeweer dichtslaan, klaar om te schieten. Onder een regen van kruit doken we achter de berg waarop onze kapotgeschoten schietschijf lag. ‘Wat moeten we doen, Jef? We zitten ingesloten. Die schiet ons straks omver.’ Onze Jef kon er nog mee lachen. ‘Die pa zal al wel gehoord hebben wat eraan de hand is. Wacht maar effe.’

Een paar minuten later hoorden we hoe Hugo van zijn vader een pak rammel kreeg, het zoveelste. We konden naar huis. Maar nadien ben ik nooit meer gerust geweest als ik op de Zandberg kwam. Het jachtgeweer mocht dan sinds dat voorval wel achter slot en grendel zijn opgeborgen, Hugo had zelf ook nog een krachtige boog waarmee hij graag uitpakte.

Print Friendly
facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *