Karrekesvolk en ander gepeupel (23) – Prematuurke

‘Als ik morgen geen zin heb om te werken dan stel ik al het werk tot overmorgen uit’

Het zou mijn lijfspreuk kunnen zijn, maar eigenlijk gaat dit nergens over.

Er komt een moment in een mens zijn leven dat hij – zonder de lammen tegen hun zere been te willen trappen – op eigen benen gaat staan. Bij mij was dat op vrij jonge leeftijd. Wanneer precies weet ik niet meer, maar ik herinner me dat ik twintig jaar oud was toen ik een appartementje huurde en de deur van zowel het ouderlijk huis, de nostalgische woonwagen, de kaspercaravan van mijn nonkel en de poetenkeet annex familiebedrijf achter me toetrok. Die laatste deur was het moeilijkste, omdat toetrekken in een bordeel een beweging is die meestal niet gemaakt wordt. De deuren staan er altijd wijd open. Maar ik poetste dus de plaat. Denk nu niet dat de plaat poetsen iets met muziek te maken heeft, al dreunden uit de boxen van ons eigen Sodom en Gomorra best wel swingende deuntjes. Reken maar dat er heel wat werd geswingd. Nu en dan gebeurde het dat er mensen naakt swingden op het biljart. En nergens blonken de ballen harder dan bij ons.

Het appartement bleek veel te ruim voor al mijn spullen: een matras, een hoofdkussen, een deken en een weinig kledij. Dankzij mijn ondernemende natuur ging het me echter al snel voor de wind en drie maanden later had ik al de helft van een salon (gekregen van vrienden), een tweedehands televisie (gekregen van mijn grootmoeder) en een op een rommelmarkt gevonden televisietafeltje (zelf betaald). Daarop volgden een wasmachine en een frigo en kwam er een einde aan vier maanden lang lauw bier drinken. Dat had ik dan toch weer mooi voor mekaar.  Ze noemden me in die tijd niet voor niks de J.R. Ewing van het woonwagenpark. Misschien ook wel omdat ik dezelfde cowboylaarzen droeg als de Dallas-ster. Niet dat ik die boots mooi vond, maar het was mode en je leek er vijf centimeter groter door. Daar bijna al mijn vrienden ze droegen, werd dit optisch bedrog spijtig genoeg geneutraliseerd.

In ieder geval, de traditie van de familie niet volgend ging het steeds beter. Die lijn moest doorgetrokken worden, niet? Het spreekt voor zich dat voor iemand zoals ik, die van huis uit de begrippen, orde, regelmaat en structuur als items uit een of andere comedy zag, het niet abnormaal was om in een dronken bui van een mede-caféganger een moto te kopen om vervolgens te vragen hoe je met zo’n ding moet rijden. ‘Een beetje gas geven, links ambriëren, één naar boven, de rest naar beneden en je bent zo vertrokken’, zei hij. Ik ben er goed mee thuisgekomen, maar een paar maanden – en twee ongevallen – later heb ik hem toch maar verkocht. Blijkbaar nam ik de raad van bevriende motards – ‘gaan liggen in de bochten’ – te letterlijk. Met als gevolg dat ik een keer wakker werd in het ziekenhuis en half verdwaasd op de vlucht ging. Op straat lachten de mensen zich te pletter. Had ik zo’n operatiekleed aan – zo eentje zonder achterkant. Mijn specialiteit met die gevaarlijke machine was overigens voor een overvol terras stoppen en dan terwijl ik met veel stijl van mijn bike stapte – ik had dan ook een stoer lederen vest met veel ritssluitingen zoals ‘de echte’ motards  –  mijn staander niet ver genoeg uitklappen, waardoor ik met motor en alles omviel. Aandacht verzekerd.

Wat heeft die brommer met alleen gaan wonen te maken? Wel, de verkoop van de moto luidde een volgende periode van voorspoed en (deels ingeperkte) onafhankelijkheid in: een eigen huis. René Froger zong het ons voor: ‘Een eigen huis, een plek onder de zon, en altijd iemand in de buurt die van je houden kon‘. Dat laatste woord maakt een wereld van verschil: ‘kon’. Ze kon dus van je houden, maar het kon ook zijn van niet. Ik had dus een eigen huis, een plek onder de zon en altijd iemand in de buurt die van me houden kon. De aandachtige lezer heeft het door. Voor de quasi hersendoden maak ik er een tekening bij: ik betrok dat appartement niet alleen, noch kocht ik dat huis alleen. En als je nu zegt, altijd in de buurt…maar dan ook echt altijd, he. Een enkelband is er niks tegen. Ik werd zelfs van dichterbij gevolgd dan een blondje in een Brusselse deelgemeente. Alleen seksuele intimidatie en grensoverschrijdend gedrag – hoe kon het ook anders – ontbraken. De hashtag #whynotme? is een uitvinding van ondergetekende.

Nog altijd maar twintig en toch had ik het gevoel er al minstens eenentwintig te zijn. Het huwelijk eiste zijn tol.  Ik voelde me iedere vierentwintig uur een dag ouder worden. Iedere keer dat de klok naar zomeruur werd gezet, kwam er een uur bij. Winteruur compenseerde dan weer een gedeelte. Als ik het had over de verantwoordelijkheden die op eigen benen staan met zich meebrengen, zeiden de kennissen: ‘Je was er ook vroeg bij, he’. ‘Ben ik echt een relationeel prematuurke?’ vroeg ik me soms af. Te vroeg geboren  in ieder geval – officieel dan toch. De vrij korte periode tussen de dag dat mijn ouders mekaar leerden kennen en mijn geboorte is daar het bewijs van. Maar niets is wat het lijkt te zijn, want wat paringsgedrag betreft, bleek mijn vader een nakomertje te zijn. In de discipline voortplanten voor beginnelingen moest hij het stellen met zilver. Mijn moeder deed op het eerste zicht een gouden zaak met het rijkeluiszoontje dat ze aan de haak had geslagen. Hij wist het niet, maar als hij in de kolenbak had geschoten zou ik er toch nog gekomen zijn. Nog voor mijn eerste verjaardag werd gevierd, zat de fils à papa achter de tralies. Welkom in de familie.  Ik heb de mens niet gekend en eigenlijk ben ik daar niet rouwig om. Als back-up waren daar nog een bompa, een peter en een soortement broer die me beter dan een hond behandelden en me hebben geïnspireerd om zo snel mogelijk de benen te nemen. All’s well that ends well. Maar…

‘Toch wou ik dat ik net iets vaker simpelweg gelukkig was’

Print Friendly
facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *