Rudolf Steiner, de biografie [2]

waldorf stuttgart

‘Hier gaat het meer om de geschiedenis die men in de huidige waldorfscholen niet herkent’

In 2011 verscheen bij Piper Verlag een biografie van Rudolf Steiner (1861-1925). De auteur, Helmut Zander, schreef eerder al het zo goed als alles omvattende naslagwerk ‘Anthroposophie in Deutschland‘ (2007) en geldt als de best gedocumenteerde expert op het gebied van de antroposofie en haar werkvelden. In Zanders biografie van Rudolf Steiner wordt een hoofdstuk besteed aan ontstaan en evolutie van het antroposofisch onderwijs in de periode dat Rudolf Steiner nog leefde. Het hoofdstuk ‘Waldorfschool’ is ingedeeld in 9 paragrafen, die hier in evenveel afleveringen in vertaling zullen verschijnen.

Deel 2

De Stuttgartse school op de Uhlandshöhe

Zonder evolutie geen waldorfschool. In de zomer van 1919, wanneer de eerste waldorfschool in Stuttgart ontstaat, overspoelt de tweede golf van de revolutie Duitsland. Feit is dat in 1919 de monarchie was weggeveegd, maar vele mensen teleurgesteld zijn in de reële maatschappelijke veranderingen. Men kan het in belachelijk korte tijd totstandkomen van de schooloprichting slechts begrijpen wanneer men de polsslag van een zomer meevoelt. Een zomer waarin velen dachten dat in een handomdraai een nieuwe wereld zou kunnen worden opgericht op het puin van de oude. Ook Steiner dacht toen zo apocalyptisch. De waldorfschool als het heilmiddel voor ‘onze toekomstig afstervende cultuur’ kwam hem gemakkelijk over de lippen.

Deze verlossing door vorming had ook een vijandbeeld: de ‘staatsschool’. Er  had reeds voor de Eerste Wereldoorlog een hele generatie van reformpedagogen een zwarte pedagogiek aan het werk gezien, waar autoritair onderricht werd, waar leraren de leerlingen drilden, de burgerij de arbeiderskinderen uitsloot, het muzische en praktische tekortschoot. In andere woorden: aan de schoolpoort stond men aan de kazerne waar de vergane wereld van het keizerrijk haar kwekerij heeft gehad. Daartegen hielp alleen, dat dacht ook Steiner, een ‘vrije school’, de ‘vrije waldorfschool’, aldus de sublieme antroposofische strijdkreet. Hoe slecht de openbare scholen werkelijk waren en hoeveel ‘staatsschool’ uiteindelijk in de waldorfschool stak, is gecompliceerder dan Steiner wilde erkennen. Hij had immers het beeld van een nieuwe mens die vanuit een nieuwe school  werkelijkheid zou worden.

Maar in het begin stond niet Rudolf Steiner, maar weer Emil Molt – die reeds bij Steiners politieke activiteiten een initiërende rol had gespeeld. Deze ondernemer, een patriarch, zoals hij beschreven staat, autoritair en beschermend, had na de Oktoberrevolutie van 1918 zijn  lessen getrokken en besloten zijn arbeiders en arbeidsters verder op te leiden. Toen dit mislukte, vroeg hij Steiner of hij dit op zich wilde nemen. Deze dag, 23 april 1919, schetste Molt nadien als de ‘eigenlijke geboortedag’ van de waldorfschool.

Molt deed geen half werk. Hij zette eerst zijn relaties en dan zijn vermogen in. Dit alles in een adembenemende snelheid. Al anderhalve week later lanceerde hij een gesprek met de Württembergse Minister van Arbeid, Hugo Lindemann. Nog eens twee weken later ontmoetten Steiner, Molt en Ernst August Karl Stockmeyer, een wiskunde- en natuurkundeleraar die een voortrekkersrol in de toekomstige steinerschool op zich zou nemen en vermoedelijk de schoolplanning in detail uitwerkte[1], de sociaaldemocratische Minister van Onderwijs Heymann en maakten afspraken over de voorwaarden – van de onderwijsvrijheid die de school verzekerd werd tot en met hygiënische vraagstukken waarin de staat een inspraakrecht voorbehouden had.

Wat nu volgt, is alleen in de kolkende situatie van de vroege zomer van 1919 mogelijk. Voor het eerst in de geschiedenis van het bondsland Württemberg hebben de sociaaldemocraten de macht overgenomen en ze zijn bereid – niet in het laatst omdat het de arbeiders ten goede zou komen – Molts concept te ondersteunen. Vervolgens gebruikt Steiner, net zoals bij de bouwplannen in Dornach, strategisch een onduidelijke wetgeving, een ‘gat in de Württembergse onderwijswetgeving’. Deze Kairos of Fortuna geeft de waldorfschool vrije baan.

Hoe zou Steiner alles voor mekaar krijgen? Daarmee is natuurlijk niet de organisatie bedoeld. Die komt gaandeweg. Maar waar zou hij de pedagogische kennis halen? Want het hart van een school klopt in het onderwijsconcept, de onderwijswetgeving en in de pedagogische antropologie. Van dit alles had Steiner eigenlijk geen flauw benul. Hij kende uit zijn schooltijd de Realschule, had na 1880 als huisleraar zijn geld verdiend bij de Weense familie Specht, in 1888 in het Deutschen Wochenschrift en later in het Magazin für Litteratur enkele onderwijspolitieke commentaren geleverd en als theosoof een voordracht over ‘De opvoeding van het kind in het licht van de geesteswetenschap’ gehouden. Dat was grosso modo reeds de praktijk. In de Berlijnse Arbeiterbildings’schulen’ heeft hij ook nog voordrachten gehouden, maar met een klassieke school had dat niks te maken. In theorie kende Steiner weliswaar werken van Johan Friedrich Herbart, een van de grondleggers van de moderne pedagogiek die een systematisch concept ontworpen had om de ‘buigzaamheid’ van mensen in het onderricht om te zetten in formele stappen waarmee de leraar de educatieve biografie zijn ‘pupil’ op weg zou kunnen brengen. Maar Herbarts benadering is voor Steiner een moeraspad, want hij had hem vooral als filosoof en kennistheoreticus gelezen, echter nauwelijks als pedagoog. Conclusie: Steiner was een pedagogische leek wanneer hij in het voorjaar van 1919 van Molt de verantwoordelijk voor de oprichting van de eerste waldorfschool overneemt. Weinig verrassend luidt zijn eerste voorstel op 25 april 1919 om eenvoudigweg een soort Oostenrijkse Realschule op te richten,  een variant op de ‘staatsschool’ die hij uit zijn jeugd kende: praktijkgericht, ‘Duits tot in het bedrijfsbeleid’, vreemde talen, natuurwetenschappen alsook ‘schilderen, zang en turnen’.[2]

Dergelijke elementen waren reeds lang voor de Eerste Wereldoorlog in de reformpedagogischen debatten geventileerd, bijvoorbeeld door Georg Kerschensteiner in zijn concept van de praktijkklassen. Dit alles kwam echter ook  in de buurt van die reformpedagogiek die na de oorlog een grote tweede oprichtingsstroom beleefde en waarin ook de waldorfschool zwom. Maar Steiner kende noch de actuele reformpedagogiek, noch de scholen van de periode van voor de oorlog goed. Hij had in 1905 wel Herman Lietz’ beroemde ‘Landerziehungsheim’ [plattelandsinternaat] Haubinda bezocht en er zich vernietigend over uitgelaten. Hier worden ‘verschrikkelijke critici’ opgevoed.

En toch stamde uiteindelijk een veelvoud van elementen van de waldorfschool uit het reformpedagogische repertoire: van de muzische en handvaardige elementen tot co-educatie en het verwerpen van notities. Dat was in Duitsland, het ontegensprekelijke vaderland van de reformpedagogiek, vrij toegankelijke know-how, waarvoor men geen bijzondere contacten in het reformpedagogische milieu nodig had. In ieder geval zijn met haar concepten  in de oprichtingsfase van de Stuttgartse waldorfschool geen sporen van een grondige uiteenzetting te vinden – wanneer had Steiner daar ook de tijd voor moeten nemen? En zo is het niet verwonderlijk dat in het hart van de waldorfschool vooral een oude bekende wordt teruggevonden: de theosofie, die ondertussen antroposofie heet.

Maar eerst nog eens terug naar de schooloprichting, die niet alleen ideeën, maar ook geld nodig had, veel geld. Molts aanbod van 100000 Mark hield Steiner voor ontoereikend, 10 miljoen moest het zijn. Zo veel werd het dan niet, maar Molt betaalde, ook met gebruikmaking van de middelen van de Waldorf-Astoria (die in 1929 failliet ging): 450 000 Mark voor het excursielokaal ‘Uhlandshöhe’, 50 000 Mark voor de renovatie, en hij kocht aanpalende stukken grond en financierde de leraren. Later, toen de verhouding met Molt niet zo luchtig was en er steeds meer kinderen van buiten de fabriek kwamen, zorgde de vereniging van waldorfscholen en tijdelijk de antroposofische uitgeverij Der Kommende Tag voor de nodige financiële middelen.

Dan moest de school leraren vinden, veel leraren en wel snel. Stockmeyer werd uitgezonden om, ‘zoals een theaterdirecteur die zijn ensemble bij mekaar zoekt’ [3], leraren te werven. Maar ervaren pedagogen waren niet gemakkelijk vast te krijgen. Prominenten zoals Albrecht Leo Merz, de grondlegger van de ‘Werkhaus-Werkschule’ in Stuttgart, zegden af[4], en aangezien er toch antroposofen zouden zijn, moest men tenslotte nemen wie men had: een man zoals Walter Johannes Stein, die in filosofie gepromoveerd was en ook wiskunde en fysica had gestudeerd, gaf op Steiners vraag literatuur en geschiedenis, Karl Shubert, die literatuurwetenschap, Frans en Engels had gestudeerd en taalstages in Parijs en Londen had gedaan, nam het onderricht in vreemde talen over. Hedwig Hauck moest handenarbeid geven, terwijl ze daarin geen vooropleiding voor had gedaan. In dit selectieproces had Steiner zich helemaal niet laten overreden, hij was de onbetwiste leider. Als in de vervolgjaren leraren zonder hem werden gerekruteerd, was het resultaat meestal niet goed genoeg: ‘Waar ik niks te zeggen had, wordt het systeem gevolgd talenten buiten te gooien’.[5]

Zo komt in 1919 een jong college – gemiddelde leeftijd 32 jaar – samen: met spannende, onorthodoxe levenslopen, maar de meerderheid pedagogisch een amateurtoneel. Vanaf 21 augustus doorlopen de aspiranten twee weken lang een pedagogische snelcursus en klaar is het lerarencollege. Twee dagen na het einde van de cursus, op 7 september wordt de waldorfschool Uhlandshöhe met meer dan 1000 gasten in de Stuttgartse stadstuin feestelijk geopend: 256 kinderen met twaalf leraren in acht klassen. Maar wat heet al geopend? Er is zo goed als niks: geen leerplan, geen inkt, geen tafels. En zo zitten de kinderen op oude restaurantstoelen en leggen hun onderleggers op de knieën. Dat was schooloprichting in revolutionaire tijden.

[Helmut Zander, Rudolf Steiner-Die Biografie, Piper Verlag 2007, isbn 978-3-492-95303-0 [p.234-237]

vervolg

Voetnoten

[1] Ebd., p.667

[2] Stockmeyer: ‘Aufzeichnungen’ (25/04/1919), bij Molt, Emil: Entwurf meiner Lebensbeschreibung, Stuttgart 1977, p.48

[3] Johannes Tautz, cit. in: Der Lehrerkreis um Rudolf Steiner in der ersten Waldorfschule 1919-1925. Lebensbilder und Erinnerungen, hg.v.G. Husemann/ders., Stuttgart 1977, p.48

[4] Merz, Volker: ‘Werkhaus-Werkschule Merz – Bildung auf werktätiger Grundlage’, in: Die Schulen der Reformpädagogik heute, hg. V.H. Röhrs, Düsseldorf 1986, p.186-195, hier p.186

[5] In de elektronische uitgave niet te vinden uitspraak van Steiner, hier cit. naar Lindenberg, Christoph: ‘Riskierte Schule – Die Waldorfschulen im Kreuzfeuer der Kritik’, in: Erziehungswissenschaft und Waldorfpädagogik, hg. V.F. Bohnsack/E.-M. Kranich, Weinheim/Basel 1990, p.350-367, hier p.361

Overige delen

Print Friendly
facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

2 thoughts on “Rudolf Steiner, de biografie [2]

  1. Pingback: Ramon De Jonghe | Helmut Zander: Rudolf Steiner, de biografie [1]

  2. Pingback: Ramon De Jonghe | Rudolf Steiner, de biografie [3]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *