Rudolf Steiner, de biografie [4]

J.W.Goethe (1749-1832)

J.W.Goethe (1749-1832)

‘Hier gaat het meer om de geschiedenis die men in de huidige waldorfscholen niet herkent’

In 2011 verscheen bij Piper Verlag een biografie van Rudolf Steiner (1861-1925). De auteur, Helmut Zander, schreef eerder al het zo goed als alles omvattende naslagwerk ‘Anthroposophie in Deutschland‘ (2007) en geldt als de best gedocumenteerde expert op het gebied van de antroposofie en haar werkvelden. In Zanders biografie van Rudolf Steiner wordt een hoofdstuk besteed aan ontstaan en evolutie van het antroposofisch onderwijs in de periode dat Rudolf Steiner nog leefde. Het hoofdstuk ‘Waldorfschool’ is ingedeeld in 9 paragrafen, die hier in evenveel afleveringen in vertaling zullen verschijnen.

Deel 4

Pedagogische ideeën

Natuurlijk leefde de waldorfschool niet alleen van haar organisatorische structuren, maar meer nog van haar pedagogische geest. Haar meest ambitieuze neerslag vond deze in de eis dat opvoeding een ‘kunst’ moest zijn, niet iets ‘zelfgebakken, belerend, Filistijns’. De basis van deze ‘opvoedingskunst’ was de geest van het antimaterialisme. Ook in de school gaat het om de mensen als geestelijke wezens. De waldorfscholen hebben ‘een hoogste, heilige, religieuze verplichting het goddelijk-geestelijke, dat in iedere mens die geboren wordt nieuw verschijnt en zich openbaart, in de opvoeding te onderhouden’.

Maar tegelijk wilde Steiner de balans tussen geest en lichaam houden, de ‘harmonisering tot op zekere hoogte van de hogere mens, de geestzielenmens, met de lichamelijke mens’ realiseren. Binnen dit bereik behoren al die zaken van de waldorfpedagogiek die men tot op heden zo waardeert: het werk in de schooltuin en de gelijkheid bij het breien, dans en theater, de aanspraak op leren zonder prestatiedruk. Daarbij geraakte hij echter toch plotseling in de ban van de gehate materialistische antropologie, die zijn voorstellingen als een onzichtbare klem omsloot. Een al te zelfbewuste scholier, die ‘een bijschrift bij zijn naam’ voegt en ‘ik’ ‘onderstreept’, ‘is een crimineel type dat een schriftvervalser kan worden. Uitgesproken aanleg tot criminaliteit’. ‘Aanleg’: dat was in het spraakgebruik van die tijd niet de geestelijke, maar de lichamelijke erfelijkheid. Forse straffen waren dan vanzelfsprekend (zelfs wanneer het protocol van de lerarenvergadering verzwijgt welke strafuitvoering Steiner wilde zien): ‘Bij hem moest men een soort corrigerend onderwijs voor de ziel inrichten. Dan moest men dwingen, drie zulke – ? – na mekaar strak te maken.”

In de antropologie greep Steiner terug op theosofische voorstellingen; De leer van fysiek lijf, etherlijf, astraallijf en Ik moest ook in de pedagogiek gelden. Dit had hij reeds vastgelegd in een van de zeldzame uitingen over pedagogie van voor de jaren twintig, in de voordracht ‘De opvoeding van het kind in het licht van de geesteswetenschap’ uit het jaar 1907. Hier vindt men ook al de evolutionaire ontwikkelingspsychologie: bij de karakteristieken van de waldorfpedagogiek gelden ontwikkelingsstappen die in zeven-jaars-ritmen moeten lopen. Een reeds in de Oudheid bekend concept dat Steiner nu in de waldorfschool overnam.

‘Tot de tijd van de tandenwisseling, ongeveer tot het zevende jaar’, is de mens ‘door een ethermantel en een astraalmantel omgeven. Pas tijdens de tandenwisseling laat de ethermantel het etherlijf los. Dan rest nog een astraalmantel tot de intrede van de geslachtsrijpheid. Op dit tijdstip wordt ook het astraal- of gewaarwordingslijf vrij, zoals het fysieke lijf bij de fysieke geboorte, het etherlijf bij de tandenwisseling geworden zijn.’

Hier zette Steiner een evolutionaire structuur uiteen. In iedere klas moest men bepaalde ‘cultuurfasen’ van de mensheidsgeschiedenis herhalen. Daarom voorzag hij sprookjes en sagen voor de lagere klassen en het ‘Nebelungenlied’ voor de tiende klas en hield hij overigens met de autoriteit van de ingewijde vele fictionele aspecten van deze vergane culturen voor realiteit: Atlantis heeft bestaan[1], Parzival ook[2], beide moeten worden onderricht. Met deze hiërarchische ‘cultuurfasen’ zwom Steiner in de brede stroom van het pedagogische sociaaldarwinisme, waarbij hij dichtbij de ontwikkelingspsychologische voorstellingen van het herbartianisme stond.

Steiner schiep uit dergelijke elementen geen consistente pedagogische antropologie – hoe had hij dat gezien de korte oprichtingsfase en zijn tijdsbelasting ook moeten doen? Daarom vindt men er zoals in een patchwork niet alleen theosofische en sociaaldarwinistische en herbartiaanse elementen, maar nog veel meer, zoals – om een voorbeeld te noemen – de ‘temperamentenleer’. Steiner was van mening dat voor de zitplaatsen in de klas geen pedagogische vrijheid was, maar een geheim script: links moeten de flegmatici zitten, aansluitend rechts de sanguinici, dan de melancholici en helemaal rechts de cholerici.[3] Dit concept had de pedagoog Bernhard Hellwig in de 1880’er jaren gepopulariseerd en op hem heeft Steiner zich gebaseerd, zoals letterlijke overnames tonen. Ook deze voorstelling kende men in al in de Oudheid. In het begin van de twintigste eeuw was het een onverkoopbaar artikel uit de pedagogiekgeschiedenis. Steiner was echter een pedagogische leek, die creatief en oudbakken samensmolt.

Maar waar blijft Goethe in al deze excursies in de geest van de waldorfpedagogiek? Uiteindelijk geldt Steiners  verhandeling over ‘Goethe als Vater einer neuen Ästhetik’ uit het jaar 1907 voor antroposofen ook graag als het basisdocument van een antroposofische pedagogiek in de geest van Goethe. Met Goethe heeft deze voordracht echter weinig te maken, daarentegen wel veel met theosofie, met etherlijf en astraallijf en evolutie. En als men Steiners voordrachten uit de twintiger jaren over pedagogiek of zijn uitlatingen in de lerarenconferenties doorleest, stoot men niet bepaald op Goethe als spil van de pedagogiek. Natuurlijk komt hij steeds aan bod, als auteur van de kleurenleer of als filosoof van de aanschouwende waarneming. Natuurlijk treft men ook goetheanische begrippen, in het bijzonder in het ‘aanschouwende’ natuurkundeonderwijs, zoals het begrip van de metamorfose. Maar een goetheanische pedagogiek komt daar niet uit voort. De dichter bleef een ideeënleverancier – maar wel een met de meest welluidende naam.

[Helmut Zander, Rudolf Steiner-Die Biografie, Piper Verlag 2007, isbn 978-3-492-95303-0, p.240-241]

vervolg

Voetnoten

[1] Ebd., BD. 300a, p.86

[2] Grosse Rudolf, Erlebte Pädagogik. Schicksal und Geistesweg, Dornach 1968, p.73

[3] Ebd., p.207

Overige delen

Print Friendly
facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

One thought on “Rudolf Steiner, de biografie [4]

  1. Pingback: Ramon De Jonghe | Rudolf Steiner, de biografie [2]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *