Rudolf Steiner, de biografie [5]

Karma-Class‘Hier gaat het meer om de geschiedenis die men in de huidige waldorfscholen niet herkent’

In 2011 verscheen bij Piper Verlag een biografie van Rudolf Steiner (1861-1925). De auteur, Helmut Zander, schreef eerder al het zo goed als alles omvattende naslagwerk ‘Anthroposophie in Deutschland‘ (2007) en geldt als de best gedocumenteerde expert op het gebied van de antroposofie en haar werkvelden. In Zanders biografie van Rudolf Steiner wordt een hoofdstuk besteed aan ontstaan en evolutie van het antroposofisch onderwijs in de periode dat Rudolf Steiner nog leefde. Het hoofdstuk ‘Waldorfschool’ is ingedeeld in 9 paragrafen, die hier in evenveel afleveringen in vertaling zullen verschijnen.

Deel 5

Occultisme

Steiner was niet de mens die een occulte wereldbeschouwing ontwierp en ze tot draai- en hoekpunt van zijn leven en zijn Antroposofische Vereniging maakte, om dan een school op te richten waarin dit denken ook niet het hart zou zijn. In de laatste delen was deze dimensie steeds weer opgelicht, zoals toen hij zich tegenover het lerarencollege als ingewijde presenteerde of de pedagogische antropologie met ether- en astraallijf uitrustte. Maar met het succes van de antroposofie was ook het aantal tegenstanders gegroeid en zo was het voor de waldorfschool niet opportuun het esoterische geheim naar buiten te laten komen. Daarom heeft men een archeologische blik nodig om onder schoolstructuur en vakkencanon de theosofische fundamenten van de waldorfpedagogiek te ontdekken. Wanneer men echter eenmaal met deze blik begint te graven, vindt men wat. In besloten kring, zoals voor de eerste leraren of in de de conferenties van de Stuttgartse waldorfschool heeft Steiner het occulte programma ontvouwd, wat hij tijdens zijn leven niet aan de openbaarheid heeft prijsgegeven.

Een centrum van de pedagogische esoterie was het onderwijzend personeel. De klassenleraar gold bij Steiner als priester, respectieve priesterin. ‘Het opvoedersberoep’ zal zich ‘laten transformeren … tot een gans waarachtig priesterberoep’, de priester-leraar heeft ‘de goddelijke plannen met de wereld te verwerkelijken’ en ‘de intenties van de goden uit te voeren’. Hij heeft ‘het aardse leven … te overhandigen wat uit de goddelijk-geestelijke wereld tot ons is gekomen in het kind’. Met andere woorden: de leraar moet bovenzinnelijk weten bezitten. ‘Als we deze verhouding overdenken, ontwaakt in ons zoiets als het priesterlijke opvoedersgevoel.’ Daardoor was de priester-leraar veel meer dan een pedagoische kunstenaar; hij was ook een ingewijde.

‘De oude mysterieleraren hebben … levensgeheimen esoterisch behouden, omdat die niet direct aan het leven kunnen worden gegeven. Maar in bepaalde opzichten moet iedere leraar waarheden hebben die hij niet direct aan de wereld kan meedelen.’

En omdat deze leraar als medium geldt, tenslotte als een kanaal voor een bovenzinnelijke ‘waarheid’, moesten de ‘individuele eigenheden’ van zijn pedagogische arbeid ‘weggeveegd worden’.

Wat betekende de priesterrol concreet? De leraar als esotericus moets bijvoorbeeld reïncarnatiewetenschap bezitten. Hij ‘zal een fijn gevoel moeten hebben voor dat wat zich uit het eerdere aardeleven verder ontwikkelt in het wordende kind … Heb je een mens voor je, dan heb je de wederopgestane ziel uit een voorgaande incarnatie voor je. Dit als een theorie uit een bedachte wereldbeschouwing hebben, als leer van herhaalde aardelevens is niet genoeg. Deze leer moet praktisch worden, zodat ze de ondergrond kan worden voor zoiets als een opvoedings- en onderwijskunst.’

Dat was voor Steiner geen holle frase. Steeds weer legde hij er de nadruk op wat de leraar als esotericus moest weten. In het karma manifesteerde zich ‘het lot’ van de kinderen. Zo zou linkshandigheid een ‘uitgesproken karmisch fenomeen’, ‘draaiende ogen’ ‘karmisch’ veroorzaakt, net zoals een falend ‘gevoel voor ritme’. En schommelt de lichaamstemperatuur van een leerling aanzienlijk, moet ‘de jongen van zijn moeder worden bevrijd … Er is karma aanwezig.’ Een onderwerp met een dergelijk hoge waarde moest bijgevolg ook onderwijsthema worden. Terughoudendheid moet men bij de jongere scholieren oefenen. Bij hen is het werken van het ‘lot’ uit te leggen. Maar vanaf de tiende klas moet men ‘werkelijk de lotsvraag in de zin van de karmavraag geleidelijk met het kind behandelen’.

En omdat Steiner niet verlegen was de gevolgen uit zijn karmadenken te halen, ontwijkt hij ook de vraag niet hoe zich de zelfbestemming van de toekomstige volwassene in het huidige kind zich verhoudt tot de aanspraak van een andere volwassene, de leraar. Mag de leraar wel opvoedend in het leven van een volwassene, die nu een kind is, ingrijpen? In een overweging waarin Steiner uit de aard en wijze zoals een kind zich toont, zijn vroegere incarnatie opent, beantwoordt hij ook deze vraag:

‘Kinderen die trippelen, nauwelijks de hielen gebruikend, die hebben het vorige aardeleven vluchtig volbracht. Men zal met hen niet veel kunnen uitrichten: men moet erop toezien dat men veel in hun nabijheid doet, zodat ze ook veel kunnen nadoen.’

De ingewijde leraar kan en moet iets doen, anders kan hij zijn leraarschap aan de wilgen hangen. Maar tegelijk probeert Steiner de autonomie van volwassene-kind te bewaren, terwijl het karmische lot bijna dwingende gevolgen voor de toekomst toeschreef. Bij mensen met een ‘vluchtige’ voorincarnatie kan men gewoon ‘niet veel uitrichten’. Karmisch determinisme en pedagogische kracht gaan bij Steiner hand in hand – op zijn minst in de theorie.

[Helmut Zander, Rudolf Steiner-Die Biografie, Piper Verlag 2007, isbn 978-3-492-95303-0, p.242-244]

vervolg

Voetnoten

[16] Steiner: GA 300a, p. 101 ev.

Overige delen

Print Friendly
facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

One thought on “Rudolf Steiner, de biografie [5]

  1. Pingback: Ramon De Jonghe | Helmut Zander: Rudolf Steiner, de biografie [1]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *