|
|
Schone bloem
Boven de omheining uit komt ze tevoorschijn. Ik had haar pas gezien toen ik toen ik naar het zuiden liep. Het noorden gaat een beetje bergaf. Ze pronkt in al haar gele pracht. Ik ken haar naam niet. Ik noem haar Schone Bloem. Ze lacht. Als ik niet wist dat ik enkele zuidwaartse passen had gezet zou ik hebben gedacht dat ze groter was geworden. In mijn beeldvorming klopt het. Ik wil haar naam niet weten. Ongekend is niet onbemind. Ze vraagt zich af wanneer de zon gaat schijnen. Elk moment kan de door sluierwolken bedekte hemel openbreken. Een heks op een bezemsteel valt geleidelijk uiteen. Ze doet me aan iemand denken. Goed dat ze zo hoog ontbindt. Zou ze nu gestorven zijn?
'Het is een gewone zonnebloem. Mijn vader heeft er tientallen in zijn tuin staan.'
Het plezier van het raden is eraf. Nog een wanhopige poging.
'Is ze niet te lichtgeel voor een zonnebloem?'
Een goedgerichte vraag kan zekerheid wankelbaar maken. Het raderwerk van de tijd zoekt uit vertwijfeling verzekerde antwoorden. Onhoorbaar als een wolf naderen de zonnestralen de kudde wolkenschapen en slaat ze uiteen. Er gaat een licht op. Licht verdrijft twijfelende zekerheid. Ze wil weg.
'We spreken later verder. Ik moet naar de tandarts om half drie. Hoe laat is het?' 'Ik weet het niet. Ik heb geen klok. Waarschijnlijk een goed moment om te vertrekken.'
Buiten straalt Schone Bloem. Ze geniet.
Terug naar het Schrijverke |