|
Homo mediocres
De geestelijke hoogten beklimmende mens is die mens die steeds hoger en hoger gaat en zo van wolk tot wolk springend een wijds panorama over de wereld heeft. Een wereld waarvan de aanblik hem doet schaterlachen van oprechte vreugde, wat er voor zorgt dat de aanvankelijke wolkensprongen al vlug in de meest gekke bokkensprongen veranderen. Deze levensvreugde is wat de hoogtemens gemeen heeft met de dieptemens, alhoewel de laatste de rijkdom van het vergezicht van de hoogtemens niet bezit, wat dan weer ruimschoots wordt gecompenseerd door de verscheidenheid aan fabelachtige schatten - vergeten door mens en god- die de dieptemens op de bodem van zijn biotoop vindt. In de diepten van zijn bestaan voelt hij zich zoals een vis in het water en kan hier en daar naar hartelust zelf een visje aan de haak slaan.
Deze dieptemens - evenals de hoogtemens niet gespeend van een bijzondere genialiteit – zal slechts zelden aan de oppervlakte verschijnen en wel om de eenvoudige reden dat hij zijn diep gevoel van levenslust niet wil laten bederven door het grootste gevaar dat de geniale geest kan tegenkomen: de homo mediocres of middelmatige mens. Altijd aan de oppervlakte blijvend, diepte noch hoogte kennend, mag de oppervlaktemens terecht de vlakgom van de genialiteit worden genoemd, vooral omdat elke door het genie neergezette streek vol ijver door de middelmatige zal worden weggevaagd als zijnde een ontsporing van de schepping.
Het onwetend zijn van hoogte en diepte maakt dat de homo mediocres al wat wel hoogte of diepte kent, bestempelt als zijnde de vruchten van overdreven aanstellerij van hen die een loopje willen nemen met de ernst des levens. Uitgerekend de vlakke mens tilt zwaar aan deze ernst en dat is niet verwonderlijk, want ernst is altijd zwaarwichtig. Ja, opdat de ene oppervlakkige de andere van ver zou kunnen herkennen, dragen de middelmatigen de ernst hoog in het vaandel. Ondanks al die vlaggen en wimpels gebeurt het toch meer dan regelmatig dat er zich aan de oppervlakte een aanvaring voordoet, die had kunnen worden voorkomen als de homo mediocres had kunnen duiken of stijgen. Helaas, als een schip dobberend op de golven ondergaat de vlakke de grillen van de zee en krijgt zo nu en dan ook nog eens een schroef van een voorbijkomend schip tegen het hoofd. Dat verklaart dan al dadelijk het feit dat heel wat oppervlaktemensen zelf ook op losse schroeven staan, wat de situatie aan de oppervlakte met al die schroeven die voorbijkomen alleen maar erger maakt. Voor de homo mediocres kan hier maar één ding soelaas bieden: een verhoogde ernst.
Voor de hoogte- en de dieptemens is deze opgedreven ernst een reden om de blik neerwaarts, respectievelijk opwaarts te richten, om vervolgens bij het aanschouwen van de ernstige blikken hun uitingen van onverholen levensvreugde zonder maat ten toon te spreiden in de vorm van enkele aanstekelijke lachsalvo’s, die het wankele bouwwerk van de ernst op zijn grondvesten doen daveren, zodat de gemiddelden al van wat ze nog in huis hebben aan krachten moeten benutten om hun in prefab opgetrokken tempel overeind te houden.
Dit geeft de homo mediocres reden tot ergernis, of beter gezegd ernsternis, gevolgd door de nodige maatregelen en het regelen van de maat van het geëtaleerde plezier van de ‘ontspoorden’, die zich echter niet zo gemakkelijk laten vatten door de homo mediocres, omdat ze zo glad zijn als een paling in een emmer snot, substantie waarvoor deze homo mediocres er meestal bijloopt. Nu willen wij de middelmaat niet helemaal kleineren – ze is al zo klein – en geven haar dan ook enig krediet, want dat is dan ook het enige dat zij aan het einde van het verhaal heeft verworven.
Ondergetekende kent hoogten en diepten, maar van het één naar het ander gaand, komt het wel eens voor – overigens nooit gepland – dat een kortstondig verblijf aan de oppervlakte tot ongelooflijk saaie en oninteressante gesprekken voert. Het schrijven dezes is het gevolg van één van zulke kwellingen van de menselijke geest, zodat de door de middelmatige mens bij mij opgewekte walging uiteindelijk de aanzet is geweest tot een kunstzinnig uiten mijnentweegs, evenwel niet voor de walging was doorgespoeld. Op het eerste zicht zou hier een klein dankwoord aan het adres van de homo mediocres voor zijn bijdrage op zijn plaats zijn, maar bij nader inzien lijkt het mij beter dit niet te doen. Mij gaat hij tegen alle logica in toch niet ernstig nemen!
Wel kan ik hem zeggen: wees niet bang om eens hardop te lachen, te juichen, te joelen of te springen. In het begin zal het misschien een beetje pijn doen, maar na verloop van tijd zal vreugde in plaats van pijn komen en zal zelfs het in vraag durven stellen van het zelf zich kunnen aanbieden.
Diepgemeende hoogachting
Terug naar het Schrijverke |