Definitie Rudolf Steiner Klachten & kritiek
Onderzoek Persberichten FAQ

Zorgrapport steinerschool Leuven

1. Beschrijving van de school

Leuven is een grote school met een kleuterschool, volledige onderbouw en bovenbouw. Door haar ligging vlak bij de universiteitsstad kent de school en tamelijk “intellectueel” publiek. Mia Lemaître (zorgcoördinator) geeft aan dat de klassen in de loop van de jaren steeds in aantal zijn gegroeid, en dat er ook steeds meer zorgkinderen instromen (Mia spreekt van 1/3 zorgkinderen op een bepaald moment). Daarom wordt nu geprobeerd om zoveel mogelijk gegevens te verzamelen om mogelijke problemen toch tijdig te detecteren. De school kent ook een grote instroom van Franstalige kinderen in zowat alle klassen, vooral van kinderen die komen van de school in Court-St.-Etienne. Er zijn ook enkele kindjes uit Oekraïne. In de lagere school ligt de pedagogische eindverantwoordelijkheid bij de kerngroep (5 mensen) van het pedagogisch college van de onderbouw. Zij nemen dus samen een beslissing. Sommige beslissingen hangen af van andere zaken die door het schoolbestuur van de school worden opgenomen. Daardoor gebeurt er soms dubbel werk, of laat een beslissing wel eens op zich wachten. Anderzijds zijn in de beslissingen wel alle betrokken partijen gehoord.

2. Zorgverbreding ten aanzien van kinderen

a) De zorgcoördinator/het zorgteam

Mia Lemaître is al verschillende jaren verbonden aan de school en heeft een tijdje als remedial teacher gewerkt. Sinds september is ze zorgcoördinator in Leuven. Daarnaast geeft zij ook euritmie in de kleuterschool. Zij is verpleegkundige en heileuritmiste van opleiding. Als zorgcoördinator staat zij vooral in voor het kader en de opvolging van de dossiers. Gerda werkt vooral binnen het domein van de remedial teaching. Gerda heeft bijna 25 jaar ervaring binnen het BLO en als taakleerkracht. 3 jaar geleden is zij in een functie gestapt waarbij ze leerkrachten van 9 reguliere scholen en een BLO-school ondersteunt. Sinds dit jaar werkt ze deeltijds in het reguliere onderwijs waar ze de samenwerking tus-sen zorgbegeleiders verzorgt. In Leuven werkt ze vooral remediërend in 3, 4, 5 en 6 (ook 7). Vanuit deze functie heeft ze ook gesprekken met ouders en therapeuten.

b) Zorg in actie

Mia geeft aan dat het een tijdje heeft geduurd om een goede relatie te krijgen met de klasleerkrachten. Nu ze haar kwaliteiten kennen wordt ze zowat beschouwd als een “moeder kloek”. Zij noemt het werk dat ze doet “onzichtbaar werk”. Vanuit haar taak heeft ze vooral veel contact met het CLB. Dit contact met het CLB werd door de klasleerkracht als belastend ervaren terwijl het eigenlijk een ontlasting zou moeten betekenen. Donderdag is voor Mia en Gerda gespreksdag. Zij hebben dan gesprekken met klasleerkrachten, ouders, therapeuten, al dan niet in één of andere combinatie. Vaak zijn zij ook de steun bij de klasleerkracht, als objectiverende figuur naar ouders toe. Soms is ook het CLB bij deze gesprekken aanwezig. Mia staat ook in voor remediëring in de kleuterklas, op vraag van de leerkracht en de ouders. Mia is begonnen met een informatie te verzamelen rond problematieken rond kinderen in alle aspecten om specifieke vragen te kunnen beantwoorden naar leerkrachten toe. Omdat de groep zorgkinderen steeds groeit, is de school soms gedwongen om kinderen door te verwijzen omdat ze met hun problematiek binnen de school niet voldoende geholpen kunnen worden. Dat leidt vaak tot verdriet (bij alle partijen). Mia spreekt dan ook over de nood aan een Tobiasklas. Maar dat is niet echt eenvoudig te realiseren, denken we alleen al maar aan vorming en subsidies. De staat zou soepeler moeten zijn om naar de noden te kunnen handelen. Wanneer er klassikale testen worden afgenomen, blijkt uit de resultaten niet alleen het kunnen van de kinderen maar ook de aanpak van de leerkracht; zowel de sterktes als de zwaktes tonen zich. Misschien zou in de opvolging vanuit het zorgteam ook richting aan de leerkracht moeten kunnen worden gegeven. Het gaat dan om adviseren en aanvullen (bijvoorbeeld in verband met de schrijfhouding van de kinderen) met respect en eerbied voor de kwaliteiten van de leerkracht. Dit zou bijvoorbeeld kunnen opgepakt worden in de vorm van interne bijscholing. Mia geeft aan dat jonge leerkrachten het makkelijker hebben om tips voor zorgkinderen te integreren in hun manier van werken. Zij hebben ook meer geleerd te werken met differentiatie, en zijn in dit opzicht dus “ervaringsdeskundigen”. Ook Gerda geeft aan het gevoel te hebben dat er te weinig uitwisseling is tussen de klas en de taakklas. De communicatie tussen de 2 teams zou merkelijk verbeterd kunnen worden. Er leeft duidelijk behoefte aan kennis van wat zorgkinderen in de klas nodig hebben, en daar is instructie voor nodig. Gerda neemt vooral de remedial teaching op zich in de hogere klassen van de onderbouw. Zij geeft aan dat de meeste leerlingen vooral in de taakklas terecht komen op vraag van de ouders. De leerkrachten erkennen het probleem meestal wanneer ouders het aanbrengen, maar staan er volgens haar te weinig bij stil wanneer de kinderen een probleem hebben. Het is haar indruk dat ze vaak te lang de kinderen meenemen in de stroom van de klas en misschien toch te lang wachten om remedial teaching in te schakelen. Wanneer een kind uit de klas wordt gehaald, geeft dat vaak een vreemd gevoel voor het kind. Daarom is Gerda er een voorstander van om – daar waar mogelijk – te differentiëren in de klas. De specifieke differentiëring gebeurt niet zo vaak omdat de klasleerkracht niet altijd over de nodige “wetenschap” of hulpmiddelen beschikt om dat te kunnen. Gerda geeft aan dat er ruimte zou moeten zijn voor advies om te kunnen differentiëren. Mia neemt meestal de vervangingen op zich wanneer een leerkracht afwezig is. Een aspect hier in de marge is het ontbreken van informatie voor invallers. Wanneer iemand ziek wordt, is het niet altijd evident om de opvang vlot te laten verlopen. Mia geeft dit aan als een werkpunt. Ze pleit ervoor om een systeem in het leven te roepen dat toelaat vooraf mogelijke invallers te plannen, en ook de planning in de klas duidelijk te maken (bijvoorbeeld een dagen weekboek met de indeling erin).

c) GOK

Niet van toepassing.

d) GON

Momenteel worden er 2 autisten begeleid in de school. 1 slechtziend kindje krijgt ook GONbegeleiding.

3. Zorg ten aanzien van leerkrachten

Ook in deze school leeft de vraag naar meer bijscholingsmogelijkheden. Er wordt met name ook gesuggereerd dat de cursussen die vanuit de Academie worden georganiseerd steeds de moeite waard zijn. Mia geeft aan dat in de school een traditie heerst om de zorg voor leerkrachten spontaan op te pakken. Bijvoorbeeld bij de begeleiding van zorgkinderen in de klas (peutertjes met autisme) wordt er gezamenlijk gezocht naar mogelijkheden. Mia heeft het gevoel dat er te weinig bijscholing wordt geëist vanuit de school, en dat deze bijscholing ook te weinig mogelijk wordt gemaakt. Leerkrachten hebben het immers moeilijk om zich leerlingenvrij te maken om zich bij te scholen. Dat heeft een praktische reden maar ook een emotionele; het is een opdracht voor de school om een goede opvang voor de klas te zoeken, zodat een leerkracht ook met een gerust hart kan loslaten, niet het gevoel heeft zijn klas verweesd achter te laten. De klasleerkracht wordt door het zorgteam beschreven als een zeer kwetsbare figuur, die met een heleboel “relaties” gezegend en belast is. Daardoor gaan sommigen relatief snel “in de verdediging”. Door goed op mogelijk moeilijke gesprekken voorbereid te zijn, kunnen ouder- of collegagesprekken nochtans erg vruchtbaar zijn. Ook dat zou een aandachtpunt moeten zijn in de begeleiding van leerkrachten. Mia vertelt dat het pedagogisch college getrokken wordt door een klasleerkracht, die dus naast zijn “gewone” taak weer extra belast wordt. Misschien is hier wel een rol weggelegd voor “uittredende” leerkrachten. Ze heeft bovendien het gevoel dat er honger is naar meer efficiëntie tijdens de vergaderingen.

4. Zorg ten aanzien van ouders

Gerda geeft aan dat de communicatie met ouders verzorgd moet worden. Ze heeft het idee dat in bepaalde gevallen de ouders zich meer gehoord voelen door het zorgteam, omdat klasleerkrachten niet altijd horen wat de eigenlijke vraag van de ouders is. In dat opzicht vervult het zorgteam een brug-functie.Enkele malen per jaar wordt er de ouderschool georganiseerd. Deze zaterdagen hebben de bedoeling om de ouders meer vertrouwd te maken met de antroposofie, om zo de zorg voor en benadering van de kinderen door te trekken in het gezin.

5. Samenwerking met externe partijen

a) Schoolarts

De school werkt dit jaar niet samen met een schoolarts. In het verleden is dat wel gebeurd en zijn er verschillende (opeenvolgende) artsen geweest waarop de school beroep kon doen. Vorig jaar was Marnix Schaubroek “stand-by” om indien nodig naar de kinderen te kijken. Dit jaar is hij nog beschikbaar in “noodgevallen”. Mia geeft aan door haar ervaring minder scherp behoefte te hebben aan het frequent raadplegen van een arts. Indien nodig (bij twijfel) worden wel referenties van antropo-sofische artsen (Gent, Antwerpen, Hasselt, Brussel) doorgegeven aan de ouders, zodat zij op eigen initiatief op consultatie kunnen gaan. Daar wordt ook gebruik van gemaakt.

b) Therapeuten

De therapeuten zijn zeer afwisselend heel open of totaal niet over wat er gebeurt in de praktijk. De school werkt met een vaste logopediste, die 4 dagen per week tussen 10u en 14u, hoofdzakelijk in de speeltijd, werkt met de kinderen. Zij werkt enkel op taal (mondstand, stotteren, …) in de kleuter- en lagere klassen, vanaf klas 4 werkt zij ook naar spelling toe. Maar Mia geeft aan dat er nood is aan meer therapieën (massagetherapie, Hendrickxtherapie, huiswerkbegeleiding, schildertherapie, osteo-pathie …).

c) CLB

Het CLB heeft een open houding ten aanzien van de pedagogie. Het is belangrijk om hen te blijven inlichten over de manier waar-op de school naar de kinderen kijkt.

6. Schoolonderzoeken/Leerlingvolgsysteem

a) Schoolrijpheidsonderzoek

Het schoolrijpheidsonderzoek gebeurt door diverse mensen. Een deel wordt verzorgd door de klasleerkracht, een aantal testen worden door Mia uitgevoerd en ook het CLB neemt een deel voor zijn rekening. Alle kinderen worden systematisch getest door het CLB bij het schoolrijpheidsonderzoek. Soms is er ook een advies van Marnix Schaubroek (antroposofische arts). Het onderzoek vindt plaats rond Pasen, omdat de ervaring leert dat de kinderen dan een grote sprong hebben gemaakt.

b) tweedeklas-onderzoek

Het tweedeklasonderzoek gebeurt rond Carnaval. Sommige klasleerkrachten zijn heel enthousiast om dit mee te doen, anderen minder. Bij de opvolging van het tweedeklasonderzoek wordt vaak gewacht tot in de derde klas om te starten met remediëren, en dat is soms te lang. Mia stelt dan ook dat, indien er een probleem wordt geduid, er ook snel opvolging aan gegeven moet worden.

c) zesdeklas-onderzoek

Momenteel worden er geen testen gedaan in de zesde klas, en volgens Mia is dat toch iets waarvoor moet worden geijverd. Er bestaat geen duidelijke structuur over de overgang van onder- naar middenbouw, maar vooral door de aanwezigheid van nogal wat Franstaligen is dat toch nodig. De school heeft vastgesteld dat een aantal kinderen afhaakt in de hogere klassen van de onderbouw en de middenbouw omdat ze niet kunnen volgen vanwege hun taal, terwijl ze toch geen uitgesproken leer-stoornissen hebben. De klasleerkracht gaat niet zo vaak mee naar de zevende en achtste klas. Meestal is het één bepaalde leerkracht die meeloopt in de middenbouw, en die geeft ook aan dat de testen wel degelijk nodig zijn.

d) Leerlingvolgsysteem/klasscreenings

Wanneer het gaat over leerlingendossiers, blijft het “grote” dossier meestal bij de klasleerkracht en houdt het zorgteam er een eigen dossierkast op na. Het blijkt niet zo eenvoudig te zijn om deze 2 te integreren, en dus gebeurt er vaak dubbel werk en gaat wellicht ook belangrijke informatie verloren.


Terug naar onderzoek

 

Antroposofia.be © 2007-2008

 Antroposofia
Steinerscholen