Ik spreek een ouder van een kind op de steinerschool van Leuven-Wijgmaal. Vanwege het feit dat de het kind er nog school loopt, is me gevraagd discreet om te springen met de informatie die me wordt doorgespeeld. En wel zo dat er geen enkele link naar ouders of kind kan worden gelegd. Heel veel blijft dan niet over om weer te geven, maar nog wel net genoeg om een korte samenvatting te maken van het probleem. Zowel ouder als kind krijgen in onderstaande tekst een fictieve naam .
E zit in de hogere jaren van wat men in de steinerscholen de onderbouw (leerjaar 1-6) noemt. De ouder, P, is niet te spreken over het cognitieve onderwijs in de school. Zelf noemt P het kind ongeletterd, omdat het niveau waarop het leest en schrijft dat van een kind is dat een paar klassen lager zit. Ook het rekenniveau van het kind is over de hele lijn ondermaats te noemen. Dit is herhaaldelijk bij de leerkracht aangekaart, echter zonder gevolg. Alles zou wel goed komen na verloop van tijd. Concreet werd er echter niets gedaan. Na verloop van tijd heeft P zich neergelegd bij de situatie en zich ermee verzoend, voornamelijk vanwege het feit dat E zich goed voelt in de klas: er zijn enkele klasgenoten waarmee E heel goed opschiet en de leerkracht blijkt sociaal geëngageerd. Het sociale aspect is voor P een niet te verwaarlozen onderdeel van de opvoeding, waarbij de opmerking gemaakt wordt dat het algemeen genomen in de Zonnewijzer nogal asociaal aan toe gaat .
Al bij al blijft P toch met een wrang gevoel zitten. De mogelijkheid om je kind naar het reguliere onderwijs te laten overschakelen zou een heel wat prettiger gevoel geven dan de wetenschap dat je kind vastzit aan een bepaalde school.
‘Het middelbaar kan E nog in de steinerschool doen. Maar wat daarna? E heeft nu al de basis gemist.’
P ziet zich voor een voldongen feit geplaatst en voelt zich opgelicht. De steinerscholen beweren immers minstens evenveel of meer aan te bieden dan andere scholen, alleen doen ze dit op een andere manier.
‘Waarom staat E dan zoveel achter en kan hij zo slecht lezen, schrijven en rekenen?’
Maar het is nog niet te laat. Ik vertel P dat ik persoonlijk enkele kinderen ken, die leerachterstanden hadden gaande van 1 tot 3 jaar die op één jaar tijd waren geremedieerd. Maar op het advies om het CLB in te schakelen, reageert P afwijzend.
‘Gezien de achterstand van E is de enige optie het buitengewoon onderwijs. En dat zie ik niet zitten.’
Het is een uitspraak die ik de afgelopen maanden meer en meer hoor en waarop ik maar één antwoord heb:
‘Het even doorbijten om je kind één of twee jaar naar het buitengewoon onderwijs te laten gaan, weegt niet op tegen de zure appel waar je kind als adolescent doorheen moet bijten wanneer het zonder basisvorming de schoolbanken moet verlaten en de hedendaagse grote wereld tegemoet wil treden.’
Ramon DJV