Evolutieleer

De antroposofische evolutieleer

De antroposofische evolutieleer [1] is gebaseerd op de ideeën van de Oostenrijkse esotericus Rudolf Steiner (1861-1925). Steiners evolutieleer is een belangrijke spil van de antroposofie en onderbouwt de filosofische visie van verscheidene antroposofische werkvelden [2][3][4]: het antroposofisch onderwijs[5], de biologisch-dynamische landbouw, De Christengemeenschap, de heilpedagogie, de euritmie en de antroposofische geneeskunde.

Creationisme

De antroposofische evolutieleer behoort tot de stroming van het creationisme, waarin wordt gesteld dat mens en aarde zijn geschapen door een of meerdere geestelijke wezens. In de antroposofie wordt de mens, als uit de kosmos neergedaalde geest, gezien als beginpunt van de evolutie, waarna zich zogenaamde lagere levensvormen van de mens afscheidden.[6]

Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis, Rudolf Steiner, GA 100

Dit aspect van Steiners visie op evolutie werd sterk beïnvloed door de retardatietheorie van Ernst Haeckel (1834-1919).[7] De belangrijkste invloed op de vorming van Steiners evolutieleer kwam van de occultiste en theosofe Madame Blavatsky (1831-1891).[8][9]

In antroposofische kringen bekende onderzoekers op het gebied van de antroposofische evolutieleer zijn Herman Poppelbaum (1891-1919) [10], Wolfgang Schad (1935-) [11] en Jos Verhulst (1949-).[12]

Planetaire stadia

Volgens Rudolf Steiner hebben de aarde zoals wij die kennen en haar bewoners verschillende stadia doorlopen die hij benoemde als planeten, maar die echter nog weinig te maken hebben met de planeten die wij vandaag de dag zo noemen. Hij sprak dan ook liever over stadia, zeven om precies te zijn. Aan ons stadium dat Aarde heet, zijn Saturnus, Zon en Maan voorafgegaan. In de toekomst zullen nog drie stadia volgen: Jupiter, Venus en Vulcanus. Om het onderscheid te maken met de huidige planeten sprak Steiner over ‘de oude Saturnus, de oude Maan, enz.’.[13]

Planeten als levende wezens

Doordat hoge geestelijke wezens op de planeetsferen inwerken, aldus Steiner, ontstaan krachtenwerkingen die voor evolutie zorgen. Dit gaat echter in periodes van rust en activiteit, waarbij de rustperiodes, gelegen tussen twee planetaire stadia, worden gezien als het zich terugtrekken van de hogere geesten om zich in de geestelijke wereld voor te bereiden op een volgende evolutieactiviteit. We zien hier de gelijkenis met Steiners reïncarnatiegedachte, die erop neerkomt dat na het sterven (uittreden) de geestelijke kern van de mens zich terugtrekt in hogere regionen om zich voor te bereiden op een nieuw leven (reïncarnatie). Steiner sprak dan ook over de planeten als levende wezens of organismes. Die wezens leven in symbiose met hun bewoners, wat betekent dat planeet en bewoners een gelijklopende ontwikkeling doormaken.[14]

Oude Saturnus – Oude Zon – Oude Maan – Aarde, Bordtekening uit GA 354

Ontstaan van de mens

Volgens Steiner is op de oude Saturnus, een chaotische warmtemassa, de kiem van het fysieke lichaam gelegd. Deze eerste aanleg voor het fysieke lichaam is echter in niets te vergelijken met wat wij daar nu onder verstaan. In het stadium van de oude Zon begint deze warmtemassa, dit warmtelichaam, zich nog meer te verdichten totdat het een lucht- of gasvorm heeft. Steiner noemde dit de vorming van het etherisch lichaam, wat de ‘zonnewezens’ een bewustzijn gelijkend op dat van planten schenkt. Na het zonnestadium volgt het maanstadium. Op de oude Maan wordt de op de oude Zon gevormde gasvorm getransformeerd tot een waterachtig lichaam, het astraallichaam genoemd. De maanwezens komen in deze fase tot een droombewustzijn. In onze huidige planeetsfeer, die van de aarde, verdicht het lichaam zich tot zijn huidige staat en krijgt de mens waakbewustzijn. Volgens de antroposofische leer incarneert het ‘ik’, de individuele geest, wat de mogelijkheid schept tot zelfstandig denken. We kunnen pas dan van een mens spreken als het ‘ik’ is ingedaald.[15]

Vierledig mensbeeld

In het voorgaande is Steiners vierledig mensbeeld, dat onder andere wordt gebruikt in de steinerpedagogie, te onderscheiden.[16] In de antroposofische ontwikkelingspsychologie verbindt men aan het vierledig mensbeeld de zeven-jaar-cycli, die overeenkomen met de geschetste planetaire evolutie.

  • Saturnus, fysiek lichaam, 0-7 jaar, opvoeding tot willen, kleuters
  • Zon, etherisch lichaam, 7-14 jaar, opvoeding tot voelen, lagere school
  • Maan, astraallichaam, 14-21 jaar, opvoeden tot denken, middelbaar
  • Aarde, Ik-lichaam, 21-28 jaar, ontwikkeling zelfstandig denken

Volgens Steiners theorie zijn kinderen nog geen ”mensen”, maar ”wordende mensen”. Vandaar de door antroposofische scholen gebruikte slagzin: “Worden wie je bent” [17]. In Steiners context is een mens pas waarlijk mens wanneer hij aan zelfstandig denken is toegekomen (21 jaar).

Atlantis en Manu

Beschrijving van hoe hogere geesten de aarde in zeven ‘dagen’ hebben geschapen. (Rudolf Steiner, GA 122)

Steiner gaf ook duidelijk aan wanneer de eerste mens of mensheid verscheen. ‘Men moet voor ogen houden dat men aan het einde van de Atlantische tijd met drie soorten mensachtige wezens te maken had’ en ‘de volgende mededelingen hebben betrekking op de overgang van vierde wortelras (Atlantische) naar vijfde wortelras (Arische)’. Steiner wist ook te vertellen dat ‘uit één groep van drie mensachtige groepen een nieuw wortelras voortkwam dat tot de hedendaagse mensheid behoort’.[18] De op aarde ontstane wortelrassen worden ingedeeld in tijdvakken: Polaris, Hyperborea, Lemurië, Altantis en na-Atlantis (of Arisch tijdvak). Ariërs ontstaan dus in de overgang van het vierde naar het vijfde wortelras. Steiner beweerde dat een groot leider, in de occulte literatuur bekend als Manu, uit de derde groep Atlantiërs er een aantal uitkoos om de nieuwe mensheid vorm te geven. Volgens Steiner is Manu de stamvader van de hedendaagse mens, die volgens de mythe zijn volk redt van de zondvloed.

Atlantische tijdvak

Volgens de antroposofische tijdschaal is de overgang van het vierde of Atlantische wortelras naar het vijfde of Arische wortelras te situeren rond 7900 voor Christus.

Schematisch ziet het Atlantische tijdvak er als volgt uit

  • Atlantische periode: 24.000 v.Chr.: differentiatie vier archaïsche types
  • Atlantische periode: 21.600 v.Chr.: spirituele vorming van de mensheid
  • Atlantische periode: 19.400 v.Chr.: vorming van rassen (Tolteken)
  • Atlantische periode: 17.300 v.Chr.: vorming van Toeraniërs, eerste tekenen van decadentie
  • Atlantische periode: 15.100 v.Chr.: Tolteken trekken naar Amerika, eerste teken van mentale en op zichzelf gericht zielsactiviteit, wat samenvalt met de vorming van de Semieten
  • Atlantische periode: 13.800 v.Chr.: vorming Oude Soemeriërs, ontwikkeling van astronomisch denken en sociale orde
  • Atlantische periode: 10.500 v.Chr.: grote migratiegolven, ondergang Atlantis door zondvloed

Het volgende tijdvak is het onze, het Arische of na-Atlantische, opgedeeld in zeven periodes. De overgang van het vierde of Atlantische wortelras naar het vijfde of Arische wortelras is rond 7900 voor Christus te situeren. Sinds de vijftiende eeuw bevindt de aarde zich in de vijfde na-Atlantische periode. Het is vanaf de beschrijving van het na-Atlantische tijdvak dat in het schema, gebaseerd op Steiners geschiedenisinterpretatie, elementen beginnen voorkomen die in dezelfde lijn liggen als de op wetenschappelijke bronnen gebaseerde, officiële geschiedenis.

Steiners bronnen

Waar Steiner zijn waarnemingen over Atlantis haalde, benadrukte hijzelf in het voorlaatste hoofdstuk van de Akashakroniek. Men zou volgens hem het verdwenen continent ‘helderziend kunnen onderzoeken’ en dan kunnen zien dat ‘Atlantis zich ergens als landmassa bevond en een groot gebied bestreek van wat nu de Atlantische Oceaan is waar onze voorvaderen in een nevelland leefden’ en ‘deze feiten door zuiver bovenzinnelijke waarneming zijn bekomen’.[19] En het was de grote mensheidsleider die zijn volk uit de nevelen van Atlantis leidde en zo voorkwam dat ze ten onder gingen. De mythologische Manu was volgens Steiner en gelijkgezinden ontegensprekelijk een historische figuur, afkomstig van een mythologisch eiland dat is verdwenen zonder een spoor na te laten.

Volgens de Duitse historicus Helmut Zander haalde Steiner zijn ideeën over Atlantis onder andere uit de science-fictionroman ”The coming race” van Edward Bulwer-Lytton.[20]

Toekomstige evolutie

In de fasen na de aardeontwikkeling (Jupiter, Venus en Vulcanus) worden de vier bekomen lichamen nog meer vergeestelijkt. Deze toekomst laat nog wel ettelijke duizenden jaren op zich laat wachten.

Perceptie vanuit de academische wereld

In wetenschappelijke kringen wordt weinig aandacht besteed aan Steiners evolutieleer. Wanneer de leer in wetenschappelijke context wordt behandeld, is dit voornamelijk vanwege de rassentheorie die erin besloten ligt.[21] Volgens de historicus Helmut Zander is Steiners rassentheorie als onderdeel van een weldoordachte evolutieleer een structureel probleem in de antroposofie.

‘…een centrale stelling in Steiner ’s denken : de evolutiedoctrine. Steiner zag de ontwikkeling van rassen, zoals de kosmologie of de bewustzijnsgeschiedenis, als evolutieproces dat hij uiteindelijk op alle dimensies van de kosmos, van het leven en van de cultuur betrok. Hier ligt een centraal probleem van zijn racisme. Ze zijn de neerslag van een diep in de 19de eeuw geworteld evolutiedenken dat alle bereiken van zijn wereldbeschouwing vormde. Steiner formuleerde met zijn theosofisch sociaaldarwinisme een etnologie waarin het spreken over ‘gedegenereerde’, ‘achtergebleven’ of ‘toekomstige’ rassen geen ‘uitglijders’ zijn, maar het resultaat van een consequent doordachte evolutieleer.'[22]

Naast Helmut Zander is Peter Staudenmaier een bekend deskundige op het gebied van de antroposofie die wijst op de centrale plaats van Steiners evolutieleer in het antroposofisch gedachtegoed.

Praktische toepassing

De antroposofische evolutieleer vindt als centraal gegeven in het antroposofisch gedachtegoed weerklank in verscheidene werkvelden van de antroposofie.

  • Onderwijs

Het curriculum van het antroposofisch onderwijs is onder andere gebaseerd op Rudolf Steiners spirituele interpretatie van de recapitulatietheorie van Haeckel.[23] Waar Haeckel stelt dat de ontogenese of de ontwikkeling van het individuele organisme een herhaling is van de fylogenese of ontwikkeling van de hele soort, stelt Steiner dat dit ook op geestelijk gebied geldt. De antroposofische leesdidactiek is bijvoorbeeld opgebouwd aan de hand van culturele ontogenese en fylogenese.[24]

‘Voor een groot deel wordt in de zevende en achtste klas de onderbouwfilosofie nog doorgezet: er wordt gewerkt met voorstellingsbeelden en via verhalen en geschiedenisonderwijs wordt de recapitulatie van de historische culturen voortgezet’.[25]

Rudolf Steiner combineerde de recapitulatietheorie en de incarnatiegedachte om het leerplan vorm te geven. Volgens Steiner ‘daalde in de lemurische tijd de mens voor het eerst in het fysieke lichaam af en wordt dat heden bij de fysieke geboorte herhaald. Toen daalde de mens in het lichaam af en ontwikkelde zich op ziels- en geestesgebied altijd hoger. De lemurische en atlantische periode herhaalt de mens tot zijn zevende jaar. Van de tandenwisseling tot de geslachtsrijpheid wordt de ontwikkelingsperiode herhaald waarin de grote geestelijke mensheidsleiders optraden. De laatsten daarvan waren Boeddha, Plato, Pythagoras, Hermes, Mozes, Zarathustra, enzovoort. Toen werkte de geestelijke wereld nog meer op de mensheid in. In de Heroensagen wordt ons dat bewaarheid. Iedere geest van de oude cultuurperioden moet daarom in deze jaren het schoolonderricht ten grondslag liggen’.[26]

Uit interne documentatie van de Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen die is bestemd voor haar leraren komt naar voor dat in de lessen natuurwetenschappen Steiners begrippen over evolutie aan bod komen.[27] In de officiële leerplannen van de Federatie van Rudolf Steinerscholen bevinden zich talrijke verwijzingen naar literatuur waarin de antroposofische evolutieleer aan bod komt.[28]

Een sleutelbegrip in de antroposofische pedagogiek is de reïncarnatietheorie.[29] In het antroposofisch gedachtegoed verloopt de evolutie van de mens doorheen herhaalde reïncarnaties en kan hij zo spiritueel vooruitgaan of achterblijven. Volgens de antroposofische evolutieleer zijn doorheen de geschiedenis ‘lagere’ levensvormen uit de mens voortgekomen doordat ze de voortschrijdende ontwikkeling van de mensheid niet konden volgen en niet langer mee evolueerden, waardoor ze niet langer als mensen incarneerden.[30] De pedagoog Heiner Ullrich zegt met betrekking tot reïncarnatie dat ‘Steiner de onderwijskundige ontwikkeling van het kind ziet als iets dat lijkt op een reïncarnatieproces en vanuit een geloof in reïncarnatie het beeld ontstaat van onderwijs als een hulp in het incarnatieproces’.[31]

  • Onderzoek

In het Louis Bolkinstituut voor onderzoek en advies ter bevordering van duurzame landbouw, voeding en gezondheid wordt vanuit een antroposofische benadering van evolutie via de fenomenologische methode geprobeerd om aan te tonen dat evolutie niet verloopt zoals de wetenschappelijk evolutieleer die verklaart, namelijk aan de hand van het ontstaan van de soorten, maar dat soorten ontstaan door een retardatieproces. De embryologie en het begrip neotenie spelen in deze antroposofische benadering een grote rol.[32]

  • Kunst 

In het Goetheanum, de hoofdzetel van de Antroposofische Vereniging in het Zwitserse Dornach, beeldt een plafondschildering de evolutie van de mensheid af aan de hand van Steiners visie.

Voetnoten

[1] Anthroposophie in Deutschland. Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945. 2 Bände. Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 2007, p.636

[2] J.D. Imelman en P.B.H. Van Hoek, Hoe vrij is de Vrije School? – Een analyse van de antroposofische pedagogiek, Intro 1983

[3] Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland – Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945, Vandenhoeck & Ruprecht 2007

[4] P. Staudenmaier, Between occultism and racism, Anthroposophy and the politics of race and nation in Germany and Italy 1900-1945, dissertatie Cornell University, 2010

[5] Denominatie antroposofisch onderwijs – [http://www.onderwijsinspectie.nl/zoek-en-vergelijk?zoekterm=vrije+school Onderwijsinspectie.nl] ([[Vrijeschoolonderwijs|steiner-, waldorf- of vrijescholen

[6] Rudolf Steiner, Menschheitsentwickelung und Christus-Erkenntnis, GA 100, Rudolf Steiner Verlag 1981 [http://www.ruhrbarone.de/wp-content/uploads/2012/11/steiner-tafel-S.247-580.jpg (afbeelding)]

[7] S. Blancke, Wetenschap naar antroposofisch believen, Wonder en is gheen wonder 3, 2004

[8] Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland – Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945, Vandenhoeck & Ruprecht 2007

[9] P. Staudenmaier, Between occultism and racism, Anthroposophy and the politics of race and nation in Germany and Italy 1900-1945, dissertatie Cornell University, 2010

[10] H. Poppelbaum, Mens en dier, Vrije Geestesleven 1973 (Mensch und Tier, Goetheanum 1928)

[11] W. Schad, Man and Mammals – Toward a biology of form, Waldorf Press Adelphi University, NY 1977 (Säugetiere und Mensch – Zur Gestaltbiologie von Gesichtspunkt der Dreigliederung, Freies Geistesleben 1971)

[12] J. Verhulst, Der Erstgeborene Mensch und höhere Tiere in der Evolution, Freies Geistesleben 1999

[13] M. Hulspas en J.W. Nienhuys, Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, De Geus 2002

[14] R. Steiner, Wetenschap van de geheimen der ziel, W. de Haan 1924

[15] Idem

[16] R. Steiner, De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie, Vrij Geestesleven 1992

[17] Brochure: ‘Met hart en ziel naar de Rudolf Steinerschool’, Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen

[18] R. Steiner, Aus der Akasha Chronik, Rudolf Steiner Verlag 1986

[19] Idem

[20] Helmut Zander, Anthroposophie in Deutschland – Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945, Vandenhoeck & Ruprecht 2007

[21] Husmann-Kastein J., Schwarz-Weiss-Konstruktionen im Rassebild Rudolf Steiners, Vortragsmanuskript Tagung: Anthroposophie – kritische Reflexionen, Humboldt Universtität Berlin 2006

[22] H. Zander, Anthroposophie in DeutschlandH. Zander, Anthroposophie in Deutschland. Theosophische Weltanschauung und gesellschaftliche Praxis 1884–1945. 2 Bände. Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 2007, p.636

[23] Henk van Oort, Lexicon antroposofie, Christofoor 2010

[24] A.G. Bus & T.H. Kruizenga, Leren lezen op een Vrije School, Pedagogische Studiën, 1986

[25] W. Govaerts, Visie op het secundair onderwijs – Onderzoeksrapport, Rudolf Steiner Academie 2002

[26] Rudolf Steiner, Schulfragen vom Standpunkt der Geisteswissenschaft, Rudolf Steiner Verlag 1983

[27] Demetrius, jaargang 1, nr.3, 7 september 1997, Natuurwetenschappen bovenbouw 4 G.c.10, website Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen 2012

[28] Federatie van Rudolf Steinerscholen in Vlaanderen vzw – februari 2004 – Leerplan Biologie – IIIde graad – blz. 15

[29] K. Prange, Erziehung zur Anthroposophie: Darstellung und Kritik der Waldorfpädagogik, Klinkhardt 2000

[30] R. Steiner, Aus der Akasha-Chronik, GA11, Rudolf Steiner Nachlass-Verwaltung , 1986

[31] H. Ullrich, Rudolf Steiner: A neo-romantic thinker and reformer, Prospects: the quarterly review of comparative education (Paris, UNESCO: International Bureau of Education), vol.XXIV, no. 3/4, 1994, Unesco 2000, London Continuum 2008, p. 555-572

[32] G. van der Bie, Embryology – Early development from a phenomenological point of view, Louis Bolk Institute, 2001, reprint 2011

(Deze tekst is gebruikt als basis voor het lemma ‘Antroposofische evolutieleer‘ op de Nederlandse Wikipedia en is daar eveneens in aangepaste vorm te raadplegen)

 

facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *